Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8480

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6484 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, voormalig klassenassistente bijzonder onderwijs, viel uit wegens nekklachten na een auto-ongeluk. Het UWV stelde vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. Zowel het bezwaar als het beroep bij de rechtbank werden ongegrond verklaard.

In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen door het post-whiplashsyndroom onvoldoende waren erkend en dat de Functionele Mogelijkheden Lijst haar beperkingen niet juist weerspiegelde. Zij verzocht om benoeming van een deskundige.

De Raad oordeelde dat de medische onderzoeken van het UWV zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de door appellante ingebrachte expertiserapporten geen aanleiding gaven tot een ander oordeel. De medische gegevens boden geen steun voor haar stelling dat haar beperkingen onvoldoende waren erkend. Ook was er geen reden om te twijfelen aan de geschiktheid van de aan haar geduide functies.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van het UWV. Er werd geen aanleiding gezien voor het inschakelen van een eigen deskundige of toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

08/6484 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 september 2008, 07/4541 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.H.H. Fuchs, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 20 april 2009 ingezonden.
Bij brief van 24 juli 2009 heeft appellante nadere stukken ingediend, waarop van de zijde van het Uwv – desgevraagd – is gereageerd met een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 31 juli 2009.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M. Laseur, kantoorgenoot van mr. Fuchs. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante was laatstelijk werkzaam als klassenassistente bijzonder onderwijs, toen zij op 23 november 2004 uitviel wegens nekklachten na een haar overkomen auto-ongeluk. In verband met een mogelijke aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv een medisch en arbeidskundig onderzoek ingesteld. Bij besluit van 21 december 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante per 10 november 2006 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 mei 2007, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
3. Het hoger beroep keert zich tegen het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Volgens appellante zijn haar klachten als gevolg van haar whiplash c.q. het post-whiplash syndroom niet voldoende onderkend en weerspiegelt de Functionele Mogelijkheden Lijst in onvoldoende mate haar functionele beperkingen. Appellante heeft de Raad verzocht om een deskundige te benoemen.
4. Het Uwv heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
5. De Raad overweegt het volgende.
5.1. Hetgeen appellante in hoger beroep aanvoert bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
5.2. Ook de Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. De Raad is van oordeel dat niet is kunnen blijken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische gegevens bieden voor die opvatting van appellante geen steun. Het door appellante in hoger beroep ingebrachte expertiserapport van de neuroloog W.I.M. Verhagen van 7 april 2009 heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. De Raad kan zich verenigen met het gestelde in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 31 juli 2009. Aan de eigen mening van appellante met betrekking tot haar gezondheidstoestand en de daaruit voortvloeiende beperkingen kan de Raad, in aanmerking genomen dat slechts dan sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten, niet dat gewicht toekennen dat zij daaraan gehecht wil zien, nu zij in haar opvatting onvoldoende gesteund wordt door van artsen afkomstige gegevens en bevindingen. In het voorgaande ligt besloten dat geen aanleiding bestaat om over te gaan tot inschakeling van een eigen deskundige.
5.3. Uitgaande van een juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellante heeft de Raad, evenmin als de rechtbank, reden gezien om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de aan appellante geduide functies. De signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante zijn door de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv afdoende toegelicht.
5.4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009.
(get.) J. Riphagen.
(get.) J.M. Tason Avila.
TM