ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8661

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1784 MAW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van beëindiging tijdelijke aanstelling bij Koninklijke Landmacht

Appellant was sinds 19 juni 2000 tijdelijk aangesteld als reservesoldaat bij de Koninklijke Landmacht, met meerdere verlengingen. Op 9 juni 2006 werd hem meegedeeld dat zijn aanstelling per 19 juni 2006 eindigde. Na bezwaar handhaafde de staatssecretaris dit besluit.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het bestuursorgaan niet verplicht is een tijdelijke aanstelling te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling, tenzij er een wettelijke verplichting bestaat of het niet verlengen in strijd is met ongeschreven recht.

De Raad deelt het standpunt van appellant niet dat toezeggingen tot verlenging zijn gedaan. Hoewel erkend is dat werkafspraken niet zijn nagekomen, betroffen deze niet de verlenging van de aanstelling. Het besluit om niet te verlengen is redelijk genomen. Vergoeding van proceskosten wordt niet toegekend.

Uitkomst: De Raad bevestigt het besluit tot beëindiging van de tijdelijke aanstelling en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

08/1784 MAW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 januari 2008, 07/3097 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)
Datum uitspraak: 17 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Groenhart, werkzaam bij de ACOM. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.E.B. Gorsira en G.V. Wannyn, beiden werkzaam bij het ministerie van Defensie.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is met ingang van 19 juni 2000 aangesteld in tijdelijke dienst voor de duur van vier jaar als reservesoldaat bij de Koninklijke landmacht, met bestemming functies te vervullen bij het Korps Nationale Reserve. Deze aanstelling is twee maal verlengd, steeds voor de periode van één jaar.
1.2. Bij besluit van 9 juni 2006 is aan appellant meegedeeld dat zijn tijdelijke aanstelling met ingang van 19 juni 2006 eindigt. Bij het bestreden besluit van 22 februari 2007 heeft de staatssecretaris dit besluit na bezwaar gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.
3.1. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 5 juni 2003, LJN AH9041 en TAR 2003, 171) vloeit uit de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld voort dat het bestuursorgaan niet gehouden is die aanstelling na afloop van de gestelde termijn te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling, tenzij er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, dan wel het niet verlengen in strijd zou komen met enige regel van ongeschreven recht.
3.2. De Raad deelt niet het standpunt van appellant dat aan hem toezeggingen zijn gedaan die de staatssecretaris had dienen te honoreren. Weliswaar is door de staatssecretaris erkend dat bepaalde werkafspraken jegens appellant niet zijn nagekomen, maar niet gebleken is dat deze afspraken behalve op het oproepen van appellant ook betrekking hadden op de verlenging van zijn aanstelling. De Raad is voorts van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de staatssecretaris ook overigens niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit de aanstelling niet te verlengen. Nu het bestreden besluit in stand blijft, is er voor een compensatie zoals door appellant bepleit geen plaats.
4. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2009.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD