Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8680

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2197 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek herziening nihilstelling en terugvordering BWOO-uitkering

Appellant ontving een uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid Onderwijs- en Onderzoekpersoneel (BWOO). Na een onderzoek in 2002 bleek dat appellant sinds 1991 werkzaam was in zijn eigen fruitteeltbedrijf. Omdat appellant niet reageerde op verzoeken om nadere informatie, stelde het bestuursorgaan bij besluiten van 30 september 2004 en 25 november 2004 de uitkering over de periode 1999-2002 op nihil en vorderde het teveel betaalde bedrag van € 88.060,05 terug. Deze besluiten werden onherroepelijk.

Appellant verzocht bij brief van 9 oktober 2006 om herziening van deze besluiten, maar de minister wees dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zoals vereist in artikel 4:6 van Pro de Awb. Ook het bezwaar werd op 8 mei 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak.

De Raad overweegt dat het argument van appellant dat hij niet wist dat hij de gewerkte uren moest opgeven, geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is, maar een argument dat eerder ingebracht had kunnen worden. De minister heeft derhalve terecht het verzoek afgewezen zonder nader onderzoek. Er is geen sprake van strijd met geschreven of ongeschreven rechtsregels of algemene rechtsbeginselen. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

08/2197 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 maart 2008, 07/2170 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)
Datum uitspraak: 10 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 30 juli 2009, waar partijen, de minister met kennisgeving, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving een uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid Onderwijs- en Onderzoekpersoneel (BWOO). In 2002 is een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de aan appellant uitgekeerde bedragen. Hieruit is naar voren gekomen dat appellant sinds 1991 werkzaam was in zijn eigen fruitteeltbedrijf. In het kader van dit onderzoek is aan appellant een aantal malen verzocht om nadere informatie met betrekking tot de door hem in zijn eigen bedrijf gewerkte uren. Omdat appellant hierop niet reageerde is bij besluit van 30 september 2004 de BWOO-uitkering over de periode 1 september 1999 tot 1 maart 2002 op nihil gesteld. Bij besluit van 25 november 2004 is aan appellant meegedeeld dat de teveel betaalde uitkering tot een bedrag van € 88.060,05 van hem wordt teruggevorderd. Beide besluiten zijn in rechte onaantastbaar geworden.
1.2. Bij brief van 9 oktober 2006 heeft appellant de minister verzocht de besluiten van
30 september 2004 en 25 november 2004 te herzien. Bij besluit van 18 december 2006 heeft de minister dit verzoek afgewezen onder verwijzing naar zijn eerdere besluiten; naar zijn mening was geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij het bestreden besluit van 8 mei 2007 heeft de minister dit besluit na bezwaar gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.
3.1. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van Pro de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van eerder ambtshalve genomen besluiten terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluiten.
3.2. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet wist dat hij de door hem in zijn eigen bedrijf gewerkte uren moest opgeven. Zou de minister ten tijde van het nemen van de besluiten van 30 september 2004 en 25 november 2004 hiermee bekend zijn geweest, dan had de minister volgens appellant in redelijkheid niet tot deze besluiten kunnen komen. De Raad is van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb, maar als argument dat in het kader van een procedure tegen de besluiten van 30 september 2004 en 25 november 2004 naar voren had kunnen worden gebracht.
3.3. De minister was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar de besluiten van 30 september 2004 en 25 november 2004. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat de minister niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2009.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD