Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8682

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2982 WAO + 08-3041 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking WAO-uitkering en beoordeling arbeidsongeschiktheid productiemedewerkster

Betrokkene, werkzaam als productiemedewerkster, kreeg een WAO-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV trok deze uitkering in per 28 januari 2007 omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geacht. Betrokkene maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, waarbij de rechtbank het besluit vernietigde en het UWV opdracht gaf een nieuw besluit te nemen.

In hoger beroep stelde betrokkene dat zij volledig arbeidsongeschikt was en verwees naar een psychologisch rapport en vermoeidheidsklachten die een urenbeperking rechtvaardigen. Het UWV stelde dat veiligheidsschoenen met rubberzolen aanwezig zijn, waardoor de functie van productiemedewerker geschikt blijft. De Raad concludeerde dat betrokkene geen nieuwe objectieve medische gegevens had ingebracht en gaf meer gewicht aan het oordeel van de behandelend arts dan aan het psychologisch rapport.

De Raad oordeelde dat het standpunt van het UWV dat er geen urenbeperking nodig is, voldoende is onderbouwd en wees het hoger beroep van betrokkene af. Het hoger beroep van het UWV slaagde omdat de functie van productiemedewerker voedingsmiddelen passend is met het aanwezige schoeisel. Het bestreden besluit werd vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan betrokkene.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

08/2982 WAO, 08/3041 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[Betrokkene] wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv)
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 april 2008, 07/1580
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
betrokkene
en
het Uwv.
Datum uitspraak: 25 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Zowel betrokkene als het Uwv hebben hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2009. Betrokkene en haar gemachtigde, mr. P.J. van der Meulen, zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. C.L. Schuren.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Betrokkene was werkzaam als productiemedewerkster toen zij zich op
13 augustus 1997 arbeidsongeschikt meldde als gevolg van zwangerschapsklachten en depressieve klachten. Aan betrokkene is met ingang van 28 oktober 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Bij besluit van 27 november 2006 heeft het Uwv de uitkering van betrokkene met ingang van 28 januari 2007 ingetrokken onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.
1.3. Bij besluit van 20 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 27 november 2006 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank kon zich verenigen met de ten aanzien van betrokkene aangenomen beperkingen. Tevens kon de rechtbank zich verenigen met de functies inpakker en productiemedewerker industrie. De functie van productiemedewerker voedingsmiddelen moest naar het oordeel van de rechtbank evenwel buiten de huidige schatting blijven nu de bezwaararbeidsdeskundige niet heeft vastgesteld dat schoeisel met rubber zolen in deze functie voorhanden is in verband met een verhoogd valrisico als gevolg van gladde vloeren. Daarbij is het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen en zijn aanvullende beslissingen gegeven inzake vergoeding van het door betrokkene betaalde griffierecht en de aan de zijde van betrokkene gevallen proceskosten.
3.1. Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij met ingang van 28 januari 2007 volledig arbeidsongeschikt is. Tevens is ten onrechte voorbij gegaan aan het rapport d.d. 16 oktober 2007 van het psychologisch onderzoek in het kader van de beoordeling ontheffing arbeidsverplichting. Betrokkene is in het kader van de voortzetting van de arbeidsontheffing onderzocht en de rapportage geeft aan of en hoe betrokkene kan functioneren in een arbeidsomgeving. Tot slot is er ten onrechte geen urenbeperking aangenomen. In het verleden is er een urenbeperking aangenomen en betrokkene heeft nog steeds te kampen met vermoeidheidsklachten.
3.2. Namens het Uwv is door de bezwaararbeidsdeskundige in hoger beroep naar voren gebracht dat het feitelijk aanwezig zijn van schoeisel met rubber zolen al vermeld stond onder punt 3.5.0 op het resultaat functiebeoordeling. De functie is voor betrokkene onverminderd geschikt te achten.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Wat betrokkene ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft aangevoerd vormt voor het grootste deel een herhaling van hetgeen reeds in bezwaar en beroep was aangevoerd. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Evenmin als in beroep heeft betrokkene in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die aanleiding geven tot de conclusie dat betrokkene op de datum in geding meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad voegt hieraan toe dat de verzekeringsarts naast eigen onderzoek de informatie van psychiater J.H.M. van Laarhoven heeft betrokken in zijn oordeelsvorming. Aan deze laatste informatie, afkomstig van een arts-specialist en behandelaar van betrokkene, moet meer waarde worden toegekend dan aan de niet van een arts afkomstige rapportage inzake een psychologisch onderzoek, ingesteld in het kader van de ontheffing arbeidsverplichting. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts nog vastgesteld dat de vergaande conclusies van de psychologen niet overeenkomen met de door de psychologen gevonden testresultaten en evenmin overeenkomen met de visie van de behandelende psychiater. De Raad heeft geen aanknopingspunt om de bezwaarverzekeringsarts niet in deze visie te volgen. Ook de grond van betrokkene dat een urenbeperking aangenomen had moeten worden kan niet slagen. De Raad is van oordeel dat het standpunt van het Uwv dat er geen aanleiding is om een urenbeperking aan te nemen voldoende is onderbouwd. Het hoger beroep van betrokkene slaagt aldus niet.
4.2. Ten aanzien van het hoger beroep dat is ingesteld door het Uwv overweegt de Raad met het Uwv dat het feitelijk aanwezig zijn van veiligheidsschoenen al vermeld stond onder aspect 3.5.0. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in beroep en hoger beroep aangegeven dat schoeisel met rubber zolen een adequate oplossing biedt voor het valrisico als gevolg van gladde vloeren. Nu dit schoeisel in de functie voorhanden is, kan naar het oordeel van de Raad de functie van productiemedewerker voedingsmiddelen aan de schatting ten grondslag worden gelegd.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van het Uwv slaagt.
5. Niettemin kan het bestreden besluit niet in stand blijven nu het Uwv ter zitting heeft aangegeven dat eerst in beroep afdoende is gemotiveerd dat de functies, wat betreft de daaraan verbonden belasting, binnen de mogelijkheden van betrokkene blijven. De Raad volgt het Uwv daarin en overweegt voorts dat aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:73, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand te laten.
6.1. Voor vergoeding van schade ingevolge artikel 8:73 van Pro de Awb als door betrokkene verzocht, is gelet hierop geen plaats.
6.2. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,- te betalen door het Uwv;
Bepaalt dat het Uwv aan betrokkene het betaalde griffierecht van € 146,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2009.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.M. Tason Avila.
JL