ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8988

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2146 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering op basis van medische en arbeidskundige beoordeling

Appellante, voormalig officemanager, kreeg een herziening van haar WAO-uitkering na een vijfdejaarsherbeoordeling waarbij haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 15 tot 25%. Na bezwaar en aanvullend medisch onderzoek werd dit percentage verhoogd naar 35 tot 45% per 10 juli 2005.

In hoger beroep stelde appellante dat zij door haar psychische en lichamelijke klachten en medicijngebruik meer beperkt was dan vastgesteld. De Raad concludeerde echter dat appellante geen nieuwe objectieve medische gegevens had ingebracht die twijfel konden zaaien over de juistheid van de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 6 april 2005.

De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV-besluit gebaseerd is op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De bezwaarverzekeringsarts had alle relevante medische feiten meegewogen en geconstateerd dat er geen reden was voor een urenbeperking. Ook de passendheid van de aan appellante toegedachte functies werd als voldoende onderbouwd beoordeeld.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

07/2146 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 maart 2007, 05/2467
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Hoogendonk, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P.J. Reeser, eveneens werkzaam bij SRK Rechtsbijstand. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en bij brief van 3 november 2008 een vraagstelling doen uitgaan naar het Uwv. Bij brief van 6 november 2008 met bijlagen is het Uwv ingegaan op die vraagstelling. Nadien hebben partijen nog nadere reacties ingezonden.
Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als officemanager voor 38 uren per week. Met ingang van 25 april 1994 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met een vijfdejaarsherbeoordeling heeft in 2004 een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de resultaten van dit onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 22 september 2004 de WAO-uitkering van appellante herzien en met ingang van
17 november 2004 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
1.2. Naar aanleiding van het door appellante tegen het besluit van 22 september 2004 gemaakte bezwaar heeft op verzoek van het Uwv psychiater G.T. Gerssen bij appellante onderzoek verricht en van zijn bevindingen op 16 maart 2005 verslag gedaan. Op grond van deze bevindingen heeft de bezwaarverzekeringsarts de medische beperkingen van appellante aangescherpt en neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 april 2005. De bezwaararbeidsdeskundige heeft nieuwe functies geduid en op basis daarvan een verlies aan verdiencapaciteit berekend van 41,4%. Bij besluit van 4 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 september 2004 gegrond verklaard, de WAO-uitkering van appellante per 17 november 2004 ongewijzigd voorgezet en de WAO-uitkering alsnog met ingang van 10 juli 2005 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
35 tot 45%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Ten aanzien van de medische grondslag heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak als volgt overwogen, waar voor eiseres en verweerder dient te worden gelezen appellante en het Uwv:
“2.5. De onderhavige schatting is gebaseerd op de door de verzekeringsarts E.J.M. van Paridon opgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel op 6 april 2005 gewijzigde Functionele mogelijkhedenlijst (FML). Hierin is de belastbaarheid van eiseres per 17 november 2004 vastgelegd. In de FML van 6 april 2005, die mede op basis van een expertise van 16 maart 2005 van dr. G.T. Gerssen, psychiater, is opgesteld, zijn voor eiseres beperkingen aangenomen op het persoonlijke en sociale vlak. Voorts is eiseres beperkt geacht voor zwaar fysieke arbeid en zijn beperkingen aangenomen in verband met de stoornis van eiseres in de functie van haar bekkenbodem en in verband met de heup- en knieklachten van eiseres. De rechtbank is niet gebleken dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig zou zijn uitgevoerd of zou zijn gebaseerd op onjuiste medische gegevens. Bij het vaststellen van de belastbaarheid is voorts voldoende meegewogen de informatie van de behandelaars, waaronder die van de revalidatiearts M.A.H. Brouwers en van de chirurg dr. Janssen. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van eiseres haar klachten door verweerder voldoende zijn onderzocht
2.6. In de zich in het dossier bevindende medische gegevens ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsgeneeskundige - tot wiens specifieke deskundigheid het behoort om op grond van de beschikbare medische gegevens beperkingen ter zake van het verrichten van arbeid vast te stellen - in twijfel te trekken. De rechtbank is voorts van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om voor eiseres een medische urenbeperking aan te nemen. Daarbij volgt de rechtbank de visie van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 28 februari 2006, waarin is overwogen dat eiseres op de datum in geding niet onder behandeling stond bij revalidatiekliniek 'de Hoogstraat' en dat uitgaande van een omvang van een behandeling van twee uur per week ingevolge de regeling 'Standaard Verminderde Arbeidsduur' geen medische urenbeperking kan worden aangenomen. Voorts onderschrijft de rechtbank het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 2 januari 2006 dat dr. Janssen voor zijn advies van 20 september 2005, inhoudende dat eiseres niet meer dan 1 kg mag tillen, alleen onbelast mag duwen en trekken en niet langer dan 20 minuten mag staan, onvoldoende onderbouwing heeft gegeven vanuit zijn vakgebied. Daarbij tekent de rechtbank aan dat eiseres, hoewel zij daartoe door de rechtbank was uitgenodigd, evenmin een nadere schriftelijke reactie van dr. Janssen heeft overgelegd, waarin een nadere medische onderbouwing is gegeven. De rechtbank heeft aldus geen aanwijzingen kunnen vinden om aan te nemen dat de belastbaarheid van eiseres op de datum in geding door de bezwaarverzekeringsarts zou zijn onderschat.”
3. Appellante heeft in hoger beroep volhard in haar stelling dat zij vanwege haar psychische en lichamelijke klachten alsmede het medicijngebruik per de datum in geding, 10 juli 2005, meer beperkt is dan door het Uwv in de FML is aangenomen. Zij acht zich daarom niet geschikt de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies te vervullen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. De Raad schaart zich achter de onder 2 geciteerde overwegingen die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Wat appellante ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen, zoals neergelegd in de FML van 6 april 2005.
4.2. Naar aanleiding van hetgeen ter zitting van de Raad van 9 september 2008 naar voren is gebracht, inhoudend dat de medische toestand van appellante is verslechterd sedert het onderzoek door de verzekeringsarts Van Paridon in april 2004, overweegt de Raad het volgende. In reactie op de van de zijde van appellante tijdens de zitting gemaakte opmerkingen heeft de bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel in zijn rapportage van 5 november 2008 onderbouwd uiteengezet dat per juli 2005 alle medische feiten en ontwikkelingen zijn meegewogen en dat de FML van 6 april 2005 een juiste weergave geeft van de belastbaarheid per datum in geding. Verder geeft de aangevoerde medicatie rondom juli 2005 geen reden om een urenbeperking aan te nemen. De bezwaarverzekeringsarts heeft er voorts op gewezen dat appellante veel klachten heeft, waarvoor maar in beperkte mate een organische verklaring is gevonden. De dagelijkse activiteiten, de beperkte lichamelijke afwijkingen en de visie van psychiater Gerssen zijn voor hem dan ook voldoende reden om niet te besluiten tot een beperking in arbeidsduur. De Raad onderschrijft de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts.
4.3. Aldus ervan uitgaande dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is te achten, ziet de Raad evenmin als de rechtbank reden om de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies voor appellante niet passend te achten. In aanmerking genomen de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 3 augustus 2005, alsmede de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 mei 2007, waarbij in het bijzonder is ingegaan op de in hoger beroep aangevoerde gronden, is de Raad van oordeel dat een als genoegzaam aan te merken toelichting is gegeven op de passendheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies.
4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1, 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij alsgriffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) I.R.A. van Raaij.
GdJ