Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9011

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1530 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn WAO-uitkering door het UWV, waarbij zijn uitkering werd verlaagd van 55-65% naar 15-25% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medische onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig en volledig was uitgevoerd en dat de vastgestelde beperkingen juist waren.

Appellant voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische toestand, mede veroorzaakt door het overlijden van zijn zoontje en een langdurige ziekteperiode, en verzocht om onderzoek door een onafhankelijk psychiater. De Centrale Raad van Beroep stelde zich achter het oordeel van de rechtbank dat het UWV een uitgebreid medisch onderzoek had uitgevoerd, waarbij ook informatie van diverse psychiaters van GGZ Buitenamstel was betrokken.

De Raad vond geen aanwijzingen dat de verzekeringsartsen de belastbaarheid van appellant hadden overschat en wees het verzoek tot inschakeling van een onafhankelijke deskundige af. De Raad bevestigde dat appellant, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die horen bij de betrokken functies. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd na een zorgvuldig medisch onderzoek.

Uitspraak

08/1530 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 januari 2008, 07/764
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. Ch.W.A. van Dam, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2009. Voor appellant is verschenen mr. Van Dam. Het Uwv was vertegenwoordigd door F.M.J. Eijmael.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het besluit van 28 juni 2007, hierna het bestreden besluit. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv, onder gegrondverklaring van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 oktober 2006 tot intrekking met ingang van 29 november 2006 van zijn naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% berekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de WAO-uitkering van appellant met ingang van 29 november 2006 herzien naar 15 tot 25%.
1.2. De rechtbank heeft daartoe, samengevat weergegeven, overwogen dat zij geen aanleiding heeft om het onderzoek door de verzekeringsartsen onvolledig of onzorgvuldig te achten. Voorts heeft de rechtbank geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen. Door de bezwaarverzekeringsarts is rekening gehouden met informatie van de behandelend sector, in het bijzonder een brief van dr. E. van Exel van GGZ Buitenamstel van 14 augustus 2006. Hieruit blijkt dat bij appellant sprake is van een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken, zonder dat sprake is van een depressie in engere zin. Maatschappelijke problemen staan op de voorgrond. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat de medische informatie die appellant bij brief van 2 januari 2008 heeft ingediend - het gaat daarbij om een schrijven van de eveneens aan GGZ Buitenamstel verbonden psychiater D.C. Cath van 21 december 2007- geen aanleiding vormt om de voor appellant op de datum in geding vastgestelde belastbaarheid te wijzigen.
2. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat met de door de bezwaararbeidsdeskundige gegeven toelichting voldoende is gemotiveerd dat de bij de schatting gebruikte functies geschikt zijn voor appellant.
3. Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van het beroep tegen het bestreden besluit. Appellant houdt staande dat onvoldoende is gekeken naar zijn psychische toestand, welke mede is ingegeven door het overlijden van zijn zoontje in januari 2007. Gedurende de daaraan voorafgaande periode van twee jaar ziekte van zijn zoontje, zou appellant volledig de weg zijn kwijtgeraakt. Appellant bestrijdt met klem dat sprake is van een aanpassingsstoornis: volgens appellant heeft hij een geestelijke stoornis als gevolg van een groot aantal incidenten. Appellant acht zich als gevolg daarvan geheel buiten staat tot het verrichten van loonvormende arbeid. Appellant verzoekt hem te laten onderzoeken door een door de Raad te benoemen onafhankelijk psychiater.
4.1. De Raad komt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Raad stelt zich in de eerste plaats achter de overweging van de rechtbank dat het vanwege het Uwv ingestelde medische onderzoek voldoende uitgebreid en zorgvuldig is geweest. Er is door de verzekeringsartsen kennis genomen van informatie vanuit de behandelend sector, met name informatie afkomstig van verschillende aan GGZ-Buitenamstel verbonden psychiaters. Naast informatie van de hiervoor reeds genoemde psychiaters Van Exel en Cath, is ook kennis genomen van een schrijven van 13 september 2007 van psychiater C.G.J.M. Koevoets. Mede in het licht van deze van de behandelaars van appellant afkomstige - uitvoerige - informatie, is aan de Raad niet kunnen blijken dat aan de verzekeringsartsen een onvolledig of onjuist beeld voor ogen heeft gestaan van de problemen waarmee appellant te kampen heeft (gehad) en van zijn psychische gezondheidssituatie ten tijde hier van belang. Appellant heeft ook niet kunnen concretiseren welke voor de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid relevante gegevens door de verzekeringsartsen zouden zijn gemist.
4.2. Evenmin heeft de Raad - eveneens in navolging van de rechtbank - aanknopingspunten voor het oordeel dat de verzekeringsartsen de belastbaarheid van appellant hebben overschat. Appellant heeft zijn eigen andersluidende opvatting ook in hoger beroep niet aan de hand van objectief-medische gegevens onderbouwd. In het voorgaande ligt besloten dat geen aanleiding bestaat tot inwilliging van het verzoek van appellant tot raadpleging van een onafhankelijk deskundige. In verband met hetgeen op dit punt door de gemachtigde van appellant ter zitting naar voren is gebracht, merkt de Raad op dat de enkele omstandigheid dat psychiater Koevoets in diens schrijven van 13 september 2007 heeft aangegeven conform de gedragsregels van de KNMG als behandelend arts van appellant geen oordeel te kunnen en mogen geven over de inschatting door de bezwaarverzekeringsarts - de Raad begrijpt: de inschatting van de mogelijkheden van appellant tot het verrichten van arbeid - bepaald onvoldoende aanleiding vormt om over te gaan tot inschakeling van een deskundige.
4.3. Ten slotte verenigt de Raad zich ook met het oordeel van de rechtbank dat, uitgaande van de juistheid van de voor hem in aanmerking genomen beperkingen, appellant per de datum in geding in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de bij de schatting betrokken functies.
5. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. Er bestaat geen grond voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2009.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.M. Tason Avila.
JL