ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9055
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- A.A.H. Schifferstein
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkheidsverklaring bezwaar tegen vaststelling aflossingscapaciteit UWV
Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van zijn aflossingscapaciteit door het UWV en stelde dat de vordering was verjaard. Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, omdat volgens hen geen gronden waren aangevoerd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het UWV ten onrechte zijn aflossingscapaciteit had vastgesteld en dat de vordering verjaard was.
De Raad oordeelde dat het UWV ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard, omdat appellant wel degelijk gronden had aangevoerd, waaronder verjaring. Tevens was het UWV niet nagekomen met de verplichting om appellant in de gelegenheid te stellen het vermeende verzuim te herstellen. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het beroep gegrond.
De Raad overwoog verder dat de verjaring van de vordering niet was ingetreden, mede omdat de vordering was gestuit door onder meer een betalingsregeling en eerdere betalingen van appellant. Op grond hiervan handhaafde de Raad het primaire besluit van het UWV. Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant tegen de vaststelling van de aflossingscapaciteit wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd, terwijl het primaire besluit gehandhaafd blijft.