ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9066
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging recht op ziekengeld na zorgvuldige medische beoordeling
Appellante, werkzaam als manager kassa, viel uit wegens klachten aan onderrug, linkerheup en bil na een val met staartbeenfractuur. Na medisch onderzoek door verzekeringsartsen werd zij per 12 juni 2007 hersteld verklaard en verloor zij het recht op ziekengeld. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard na heroverweging en aanvullend medisch onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en zij geschikt werd geacht haar eigen werk te verrichten. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel. De medische stukken, inclusief rapporten van de behandelende reumatoloog en het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts, toonden aan dat de klachten weliswaar hinderlijk waren, maar geen volledige arbeidsongeschiktheid rechtvaardigden.
De sociaal-medische adviezen van de GGD Den Haag, die appellante arbeidsongeschikt achten, werden niet gevolgd omdat deze niet op de relevante datum zagen en onvoldoende objectieve medische onderbouwing bevatten. Ook het verzoek tot inschakeling van een onafhankelijk deskundige werd afgewezen. De Raad concludeerde dat appellante haar functie kon verrichten, mede gelet op haar eigen verklaringen over de mogelijkheid tot zitten, staan en lopen tijdens het werk.
Gelet op deze overwegingen wees de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het recht op ziekengeld wordt beëindigd per 12 juni 2007.