ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9258

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5896 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden

Appellant verzocht het UWV om terug te komen op het eerdere besluit van 29 april 2003, waarbij hem een WAO-uitkering per 23 september 1997 werd geweigerd. Dit verzoek werd ondersteund door verklaringen van zijn behandelend psychiater, R.W. Jessurun.

Het UWV handhaafde het eerdere besluit, stellende dat de nieuwe medische informatie geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevat die aanleiding geven tot herziening. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat er in juli 2002 geen recente medische informatie beschikbaar was over de periode 1997 tot 2002, waardoor hij in bewijsnood verkeerde. De Raad overwoog echter dat de informatie van Jessurun weliswaar nieuw was, maar niet kwalificeerde als een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Centrale Raad van Beroep kon zich volledig vinden in de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af, waarmee de weigering van de WAO-uitkering definitief werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WAO-uitkering toe te kennen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

08/5896 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Gravenhage van 2 september 2008, 07/6838, (de aangevallen uitspraak)
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant stelde mr. G.Th.J. Bos, advocaat te Leiderdorp, hoger beroep in.
Het Uwv voerde verweer.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 21 augustus 2009. Namens appellant verscheen mr. Bos. Mr. M.J.F. Bär vertegenwoordigde het Uwv.
II. OVERWEGINGEN
1. Het beroep richt zich tegen het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 6 augustus 2007 door het Uwv bekend gemaakte besluit. Hierbij handhaaft het Uwv zijn besluit van 27 maart 2007, waarbij hij weigert om terug te komen van de weigering om appellant per 23 september 1997 een WAO-uitkering toe te kennen.
2. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
3.1. Met een besluit van 29 april 2003 weigerde het Uwv om appellant een WAO-uitkering toe te kennen per 23 september 1997. Dit besluit staat in rechte vast.
3.2. Op 27 september 2004 vroeg appellant om terug te komen van het besluit van 29 april 2003 en hem alsnog een WAO-uitkering toe te kennen met ingang van 23 september 1997. Dit verzoek ondersteunt hij met verklaringen van 10 juni 2004 en 11 juli 2007 van de hem behandelende psychiater R.W. Jessurun.
3.3. De bezwaarverzekeringsarts rapporteert op 3 augustus 2007 onder meer:
“Voor wat betreft de gegevens van psychiater Jessurun, wordt aangegeven dat er sprake is van een chronische desintegratietoestand, waarbij het opvallend is dat in de brief van 2004 over een recidiverende psychotische (de Raad begrijpt:) ontaarding met wisselend beloop wordt gesproken hetgeen ook blijkt uit de informatie van de psycholoog uit 2003 waarin wordt aangegeven dat het een periode veel beter is gegaan met betrokkene en zelfs de medicatie kon worden gestopt. De huisarts geeft in 2002 aan dat de situatie zoals door Onstein beschreven min of meer gelijk is. Gezien het feit dat psychiater Onstein in 1996 aangeeft dat belanghebbende, ondanks de aanwezige klachten gewoon heeft kunnen werken, is aan te nemen dat de beperkingen in de belastbaarheid op dit punt destijds niet erg zwaar zijn geweest. Ik ben van mening dat er dan ook geen reden is om terug te komen op het eerdere oordeel. Er is geen sprake van nieuwe medische feiten of omstandigheden betreffende de datum in geding.”
4. In hoger beroep herhaalt appellant dat hij in bewijsnood komt, doordat er in juli 2002 geen recente medische informatie voorhanden was over de periode 1997 tot 2002.
5. Deze beroepsgrond mist niet alleen feitelijke grondslag, maar kan appellant ook overigens niet baten. De rechtbank overweegt met juistheid dat de informatie van Jessurun weliswaar nieuw is, maar geen nieuw feit of een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bevat. De Raad kan zich volledig met de aangevallen uitspraak verenigen. Het hoger beroep slaagt dus niet.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2009.
(get.) R.C. Stam.
(get.) I.R.A. van Raaij.
TM