ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toeslag één-oudergezin en verrekening met schuld door IB-Groep
Appellant ontving een toeslag één-oudergezin die door de IB-Groep vanaf 1 januari 2006 werd ingetrokken wegens het ontbreken van recht op deze toeslag. De IB-Groep verrekende de te weinig ontvangen toeslag met de kortlopende schuld van appellant. Appellant maakte bezwaar en overhandigde een verklaring van de Sociale Verzekeringsbank, waarop de IB-Groep de intrekking ongedaan maakte, maar de verrekening handhaafde.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de IB-Groep onterecht tot verrekening was overgegaan en dat de toeslag over de maanden augustus tot en met oktober 2007 aan hem had moeten worden uitbetaald. Tevens stelde hij dat de beslagvrije voet in acht had moeten worden genomen en dat het Verdrag inzake de rechten van het kind meegewogen had moeten worden.
De Raad oordeelde dat de IB-Groep gehouden is eerst tot verrekening over te gaan en pas tot uitbetaling indien er geen te verrekenen bedragen meer zijn, conform artikel 13, derde lid, van het Besluit studiefinanciering 2000 en artikel 6.1 van de Regeling studiefinanciering 2000. De Raad verwierp het beroep van appellant en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad merkte op dat het feit dat appellant niet beschikte over de toeslag in de genoemde maanden het gevolg was van zijn niet-reageren op een verzoek van de IB-Groep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en verrekening van de toeslag één-oudergezin door de IB-Groep en wijst het hoger beroep van appellant af.