Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9347

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1867 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • J.Th. Wolleswinkel
  • K. Kraan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding studiekosten tertiair onderwijs aan tijdelijk ambtenaar

Betrokkene, tijdelijk aangesteld als area director in de Verenigde Staten, verzocht om vergoeding van studiekosten voor tertiair onderwijs van zijn afhankelijke kinderen. De minister wees dit verzoek af, stellende dat het nieuwe DBZV 2007, dat geen vergoeding voor tertiair onderwijs bevat, op betrokkene van toepassing was.

De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit. In hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat betrokkene tijdens zijn tijdelijke aanstelling het oude DBZV blijft volgen, omdat het aanstellingsbesluit geen wijziging van toepassingheid van latere regelingen vermeldt.

Hierdoor heeft betrokkene recht op vergoeding van studiekosten volgens de regels van het DBZV. De Raad vernietigt het bestreden besluit, wijst de vergoeding toe en veroordeelt de minister in de proceskosten. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan betrokkene vergoed.

Uitkomst: De Raad wijst de vergoeding van studiekosten toe en vernietigt het eerdere afwijzende besluit.

Uitspraak

08/1867 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Minister van Economische Zaken (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 februari 2008, 07/6052 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Naam betrokkene], wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika, (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 24 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2009. Namens appellant zijn verschenen mr. E.M. Viergever, werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, en mr. L.A.G. Meijer, werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. W.I. Feenstra, advocaat te Haarlem. Op verzoek van betrokkene is ter zitting verschenen en als getuige gehoord [naam getuige], werkzaam bij het bureau Vergoedingen Buitenland van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Betrokkene is door appellant aangesteld voor de periode van 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2011 als area director met als [standplaats]. In het aanstellingsbesluit van 21 augustus 2006 is vermeld dat tijdens de tewerkstelling in de Verenigde Staten van Amerika op betrokkene het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ) van toepassing is. Daarbij is tevens vermeld dat betrokkene een exemplaar ontvangt van het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel (DBZV), “waarin de van toepassing zijnde regels zijn opgenomen voor o.m. zaken als vergoeding van verhuiskosten e.d.”.
In het DBZV was onder meer ook een vergoedingsregeling opgenomen voor kosten die de betrokken ambtenaar maakt in verband met door een van hem afhankelijk kind gevolgd tertiair onderwijs.
1.2. Bij besluit van 20 februari 2007 heeft appellant, naar aanleiding van een door betrokkene gedane aanvraag, aan betrokkene meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor vergoeding van de onder 1.1 bedoelde studiekosten.
1.3. Bij besluit van 12 juli 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 20 februari 2007 niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Hierbij heeft de rechtbank bepaald dat appellant het door betrokkene betaalde griffierecht vergoedt.
3.1. Mede gelet op de door partijen ter zitting van de Raad ingenomen standpunten spitst het geschil zich thans toe op de vraag of appellant terecht afwijzend heeft beslist op de aanvraag van betrokkene om vergoeding van de kosten van het door zijn afhankelijke kinderen gevolgde tertiair onderwijs.
Appellant heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat op betrokkene vanaf 1 maart 2007 niet langer het DBZV van toepassing is, maar het per die datum ingevoerde Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007 (DBZV 2007), dat geen vergoedingsmogelijkheid meer biedt voor kosten van tertiair onderwijs. In dit verband heeft appellant onder meer naar voren gebracht dat aan betrokkene voorafgaande aan zijn aanstelling door de onder I genoemde getuige [naam getuige] is meegedeeld dat de mogelijkheid bestond dat de vergoedingsregeling voor tertiair onderwijs in de toekomst zou worden gewijzigd.
Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat op hem voor de duur van zijn aanstelling het DBZV van toepassing is. Verder heeft hij betwist dat hem voorafgaande aan de aanstelling is meegedeeld dat de desbetreffende vergoedingsregeling mogelijk zou worden gewijzigd.
3.2. De Raad stelt voorop dat betrokkene, die immers in dienst is van het ministerie van Economische Zaken, niet rechtstreeks onder de werkingssfeer van het DBZV dan wel het DBZV 2007 valt. In het aanstellingsbesluit van 21 augustus 2006 is opgenomen dat tijdens de tewerkstelling in de Verenigde Staten van Amerika op betrokkene het RDBZ van toepassing is en dat hij een exemplaar van het geldende DBZV ontvangt. Het aanstellingsbesluit, het RDBZ en het DBZV zijn betrokkene als één geheel ter beschikking gesteld ter bepaling van zijn ambtelijke rechtspositie voor de enkele jaren van zijn verblijf in de Verenigde Staten van Amerika. In het aanstellingsbesluit is niet vermeld dat eventuele latere wijzigingen van het DBZV ook op betrokkene van toepassing zullen zijn. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat op betrokkene voor de duur van zijn tijdelijke aanstelling het DBZV van toepassing is en dat het per 1 maart 2007 in werking getreden DBZV 2007 dus niet op betrokkene van toepassing is geworden. Dit brengt mee dat betrokkene aanspraak kan maken op vergoeding van de desbetreffende kosten van tertiair onderwijs conform de daarvoor bij het DBZV gestelde regels.
4. Gelet op het voorgaande en mede uit een oogpunt van duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak geheel vernietigen. Het beroep tegen het bestreden besluit moet gegrond worden verklaard en dit besluit moet worden vernietigd. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bezwaar tegen het besluit van 20 februari 2007 gegrond verklaren en de aanvraag van betrokkene om vergoeding van de kosten van het door de afhankelijke kinderen van betrokkene gevolgde tertiair onderwijs met inachtneming van de daarvoor bij het DBZV gestelde regels toewijzen.
5. De Raad ziet aanleiding om appellant met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- wegens kosten van verleende rechtsbijstand, op € 1.017,51 aan reis- en verblijfkosten en op € 656,04 aan verletkosten, in totaal € 1.995,55.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Herroept het besluit van 20 februari 2007 wijst de aanvraag van betrokkene om vergoeding van de kosten van het door zijn afhankelijke kinderen gevolgde tertiair onderwijs met inachtneming van de daarvoor bij het DBZV gestelde regels toe en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 1.995,55;
Bepaalt dat appellant aan betrokkene het door hem in eerste aanleg betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt;
Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 447,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2009.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) K. Moaddine.
HD