AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot herziening intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante ontving sinds 1996 een WAO-uitkering wegens ernstige lichamelijke en psychische klachten. In 2006 werd deze uitkering ingetrokken omdat zij geschikt werd geacht voor passende arbeid. Hiertegen werd bezwaar gemaakt, maar dit werd ongegrond verklaard. Appellante verzocht vervolgens om terug te komen op deze besluiten, onder verwijzing naar medische rapporten.
Het UWV wees dit verzoek af omdat de medische informatie geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatte, maar slechts een andere medische waardering inhield. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat alleen bij nieuwe feiten of omstandigheden herziening mogelijk is.
In hoger beroep benadrukte appellante de ernst en verergering van haar klachten, maar de Raad oordeelde dat verergering geen nieuw feit is en dat het UWV terecht het verzoek afwees. Medische rapporten die na het bestreden besluit waren opgesteld, konden niet worden betrokken. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en vond geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 AwbPro.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op de intrekking van de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
Uitspraak
08/2307 TW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 maart 2008, 07/2203 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal heeft gereageerd op een rapport van 26 maart 2008 van psychiater W.C. Bohlmeijer.
Namens appellante is een reactie van 26 juni 2008 van psychiater Bohlmeijer ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2009. Namens appellante is verschenen haar gemachtigde mr. Van Ham, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F. van Dam.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante ontving vanaf 21 oktober 1996 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, vanwege bij haar bestaande lichamelijke en (vooral) psychische klachten. Daarnaast ontving zij een toeslag krachtens de Toeslagenwet (TW).
1.2. Bij besluiten van 31 januari 2006 zijn deze uitkeringen, ingaande 31 maart 2006, ingetrokken. De WAO-uitkering werd ingetrokken omdat appellante met ingang van die datum geschikt werd geacht voor het verrichten van passende arbeid. Bij besluiten op bezwaar van 28 juni 2006 werd het bezwaar van appellante gericht tegen beide intrekkingbesluiten ongegrond verklaard. Appellante heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen deze besluiten.
1.3. Bij brief van 19 maart 2007 is namens appellante verzocht om terug te komen van de besluiten van 31 januari 2006 en 28 juni 2006. Hierbij is verwezen naar de brief van 11 februari 2007 van F. Kaya, psychiater en de brief van 7 februari 2007 van E.A.J. Knijff-Dutmer, reumatoloog.
1.4. Bij besluit van 26 april 2007 heeft het Uwv beslist om niet terug te komen van de besluiten van 31 januari 2006 omdat de ontvangen gegevens van de behandelaar(s) geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn.
1.5. Bij beslissing op bezwaar van 1 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 april 2007 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen, onder verwijzing naar het toetsingskader van artikel 4:6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de vaste rechtspraak van de Raad, dat de rechterlijke toetsing zich beperkt tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het eerdere besluit te herzien. Het eerste deel van deze vraag beantwoordde de rechtbank reeds ontkennend.
3. In hoger beroep is gewezen op de ernst van de medische klachten van appellante die volgens psychiater Bohlmeijer tenminste reeds vier jaar aanwezig zijn geweest. Door appellantes sterke neiging tot onderrapportage zijn de ernstige belemmeringen door het Uwv niet onderkend. Gewezen is ook op de cognitieve functiestoornissen en paranoïde waangedachten.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Overeenkomstig het door de rechtbank met juistheid aangehaalde beoordelingskader overeenkomstig artikel 4:6 vanPro de Awb mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
4.2. De Raad is van oordeel dat de bij het verzoek gevoegde medische informatie afkomstig van psychiater Kaya en reumatoloog Knijff-Dutmer terecht niet als nova zijn aangemerkt en vooral een (andere) medische weging inhoudt van de beperkingen van appellante. De situatie hier aan de orde is niet vergelijkbaar met die, beoordeeld in de uitspraak van 27 januari 2006 van de Raad (LJN AV1673) waar sprake was van een later gebleken nader inzicht in de aard van de afwijking, derhalve om een voortschrijdend medisch inzicht.
4.3. De Raad wijst er voorts nog op dat door appellante op de hoorzitting van 18 juli 2007 is aangegeven dat zowel de lichamelijke klachten als de psychische klachten zijn verergerd na de datum van de intrekking van de WAO-uitkering (31 maart 2006). Bij een verergering van klachten kan niet gesproken worden van nieuw gebleken feiten of omstandigheden.
4.4. Het expertise-rapport van 27 december 2007 van psychiater Bohlmeijer is opgesteld na het bestreden besluit. Het Uwv heeft dit rapport derhalve bij de heroverweging niet kunnen betrekken. Reeds om die reden moet dat rapport - alsmede de nadere reacties van 26 maart 2008 en 26 juni 2008 van Bohlmeijer - bij de beoordeling van dat besluit buiten beschouwing blijven.
4.5. Het Uwv was gelet op het overwogene onder 4.1 tot en met 4.6 bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 vanPro de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar de besluiten van 31 januari 2006. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2009.