ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9755

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1683 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks psychische problematiek en functieduiding

Appellante maakte bezwaar tegen de herziening van haar WAO-uitkering door het UWV, waarbij haar arbeidsongeschiktheid was teruggebracht van 80-100% naar 35-45%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV een juiste medische grondslag had gehanteerd, waarbij ook de psychische problematiek van appellante adequaat was meegenomen. De Raad stelde vast dat de beperkingen van appellante waren vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst, inclusief een urenbeperking tot 20 uur per week.

Verder achtte de Raad de door het UWV voorgestelde begeleiding, zoals inzet van een jobcoach bij werkzaamheden in onbekende omgevingen, voldoende duidelijk en passend om een reële functieduiding mogelijk te maken. De stelling van appellante dat zij geheel niet belastbaar zou zijn, werd niet onderschreven.

De Raad vond geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen of te herzien en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid met passende begeleiding.

Uitspraak

08/1683 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 januari 2008, 07/709 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.L. Sarin, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 3 november 2008 heeft appellante rapportages ingezonden van een psychiater en een medisch adviseur. Bij brief van 9 januari 2009 heeft het Uwv gereageerd met inzending van rapportages van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige.
Bij brief van 15 mei 2009 heeft het Uwv vragen van de Raad beantwoord. Bij brief van 6 augustus 2009 heeft appellante stukken aan de Raad gezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Sarin. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een nadere uiteenzetting van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2. Bij besluit van 1 mei 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 13 juni 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 december 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen, kort weergegeven, dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag rust en dat de door het Uwv gestelde eisen aan de begeleiding van appellante niet met zich brengen dat geen sprake is van een reële functieduiding.
5. In hoger beroep is door appellante aangevoerd, kort weergegeven, dat zij in het geheel niet belastbaar is met arbeid, dat als gevolg van de door het Uwv gestelde eisen aan haar begeleiding geen sprake is van een reële functieduiding en dat het Uwv onvoldoende heeft aangegeven waaruit de begeleiding dient te bestaan.
6. De Raad overweegt het volgende.
6.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag rust. De stelling van appellante, dat zij in het geheel niet belastbaar is met arbeid, onderschrijft de Raad niet. De Raad acht door de bezwaarverzekeringsartsen van het Uwv in hun rapportages van 2 november 2006 en 1 december 2008 genoegzaam toegelicht, dat appellante niet voldoet aan de criteria om geen duurzaam benutbare mogelijkheden aan te nemen.
De Raad stelt vast dat het Uwv onderkent dat bij appellante sprake is van psychische problematiek. Uit de door appellante ingebrachte rapportages van psychiater Tabeling en medisch adviseur Wolthuis kan de Raad niet afleiden dat het Uwv de psychische problematiek van appellante heeft onderschat. De naar het oordeel van het Uwv uit deze problematiek voortvloeiende beperkingen van de functionele mogelijkheden van appellante zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst. Daarbij is onder meer ook een zogenoemde urenbeperking tot 20 uur per week in aanmerking genomen. De Raad heeft in de gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat het Uwv met deze beperkingen de belastbaarheid van appellante overschat.
6.2. De Raad heeft bij dit laatste oordeel mede van belang geacht dat het Uwv ter voorkoming van decompensatie als beperking van appellante onder meer heeft geduid dat zij voor werkzaamheden in een onbekende omgeving dient te worden begeleid bij het winnen van vertrouwen; deze begeleiding zou kunnen worden verzorgd door een jobcoach. De Raad heeft in hetgeen appellante daarover naar voren heeft gebracht geen grond gevonden om te oordelen dat de noodzakelijk geachte begeleiding onvoldoende duidelijk zou zijn omschreven dan wel niet zou kunnen leiden tot een reële functieduiding.
6.3. Uitgaande van een juiste vaststelling van de medische beperkingen is de Raad niet gebleken dat appellante op de in geding zijnde datum van 13 juni 2006 niet in staat was tot het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de bij de schatting gebruikte functies.
6.4. Uit hetgeen is overwogen in 6.1 tot en met 6.3 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bedee en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) A.C.A. Wit.
KR