ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9917
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering en mindering arbeidsinkomsten op WAO-uitkering over 2004
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn arbeidsinkomsten over de laatste drie kwartalen van 2004 in mindering te brengen op zijn WAO-uitkering en om €7.990,02 terug te vorderen. Hij stelde dat hij in die periode niet werkte en geen inkomsten genoot, onder meer omdat hij van 9 juli tot 20 augustus 2004 in Egypte verbleef.
De Raad overwoog dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant als medewerker bij het reisbureau van zijn zwager werkte. Verklaringen van getuigen en afgeluisterde telefoongesprekken bevestigden dit. De schatting van de arbeidsinkomsten op €150 per week werd als redelijk aanvaard.
Appellants betoog dat de vertalingen van de tapgesprekken onjuist waren, werd verworpen omdat de rechter-commissaris geen aanleiding zag tot nieuwe vertalingen en de tweede vertalingen de eerste niet ontkrachtten. Ook het argument dat appellant geen inkomsten kon genieten tijdens zijn verblijf in Egypte faalde, omdat tijdens een dienstverband aanspraak op betaald verlof bestaat en appellant geen sluitend bewijs van zijn verblijf kon overleggen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering en mindering van arbeidsinkomsten op de WAO-uitkering worden bevestigd.