ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9936

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-679 TW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 TWArt. 20 TW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering en boete wegens niet-naleving mededelingsplicht toeslagenwet

Appellante ontving vanaf 1 juli 2004 een toeslag op haar uitkering ingevolge de Toeslagenwet. Het UWV ontdekte in april 2006 dat zij tevens pensioeninkomsten ontving, wat haar recht op toeslag beïnvloedde. Het UWV schortte de toeslagbetaling op en trok deze in. Vervolgens werd de ten onrechte ontvangen toeslag teruggevorderd en een boete opgelegd wegens het niet verstrekken van juiste inlichtingen.

Appellante voerde aan zich niet bewust te zijn geweest van het onterecht ontvangen van toeslag en stelde dat zij het pensioen in 2003 aan een arbeidsdeskundige van het UWV had gemeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het UWV verplicht was tot terugvordering en dat er geen dringende redenen waren om hiervan af te zien.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze overwegingen en benadrukte dat appellante niet voldeed aan haar mededelingsplicht, onder meer door het niet vermelden van het pensioen op het inlichtingenformulier van december 2004. Ook werd geoordeeld dat de enkele vermelding in het arbeidskundig rapport onvoldoende was. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering of boete af te zien. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van toeslag en de boete wegens schending van de mededelingsplicht.

Uitspraak

08/679 TW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 20 december 2007, 07/270 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.M. Drost, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Beide partijen zijn met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1.Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Bij besluit van 24 februari 2004 is aan appellante op haar aanvraag van 12 februari 2004 een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) op haar uitkering toegekend. In april 2006 is het Uwv ervan op de hoogte geraakt dat appellante per 1 juli 2004 onder andere een pre- pensioen en een WAO- hiaatpensioen van de Stichting Pensioenfonds van de Nederlandse Bank ontving van € 2.282,48 per kwartaal. Bij brief van 5 mei 2006 heeft het Uwv de betaling van de toeslag geschorst. Bij besluit van 28 juni 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de TW ingetrokken, omdat haar inkomen samen met dat van haar partner meer bedroeg dan het minimumloon. Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. Bij besluit van 25 juli 2006 heeft het Uwv de betaalde toeslag over de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 april 2006 ten bedrage van € 5.272,64 bruto van appellante teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 25 juli 2006 heeft het Uwv appellante een boete opgelegd van € 517,- in verband met schending van de mededelingsplicht. Bij besluit van 5 februari 2007 (hierna het bestreden besluit) heeft het Uwv (onder meer) het namens appellante gemaakte bezwaar tegen de twee besluiten van 25 juli 2006 ongegrond verklaard.
2. Het namens appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, kort weergegeven, overwogen dat, uitgaande van het rechtens onaantastbaar worden van het besluit tot intrekking van de toeslag, de onverschuldigdheid van de betaling van de toeslag vaststaat en dat het Uwv ingevolge artikel 20 van Pro de TW tot terugvordering verplicht is. Dringende redenen om van terugvordering af te zien achtte de rechtbank niet aanwezig. Ook heeft het Uwv bij het nemen van het besluit tot opleggen van een boete met recht aangenomen dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Ook overigens kan het besluit tot boeteoplegging de rechterlijke toetsing doorstaan.
3. Namens appellante zijn in hoger beroep voornamelijk de eerder aangevoerde grieven herhaald. Zij heeft er met name op gewezen, dat zij niet bewust of met opzet verkeerde of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt. Ook kon het Uwv van het ontvangen van prepensioen op de hoogte zijn, omdat zij zulks in 2003 aan een arbeidsdeskundige van het Uwv had gemeld.
4.1. De Raad oordeelt als volgt.
4.2. De Raad stelt voorop dat de rechtbank met recht heeft vastgesteld, dat uitsluitend de besluiten tot terugvordering en tot boeteoplegging aan de orde kunnen zijn. Ook voor het overige kan de Raad de overwegingen van de rechtbank geheel onderschrijven. Het Uwv is krachtens de wettelijke bepalingen tot terugvordering verplicht. Dat appellante, naar zij stelt, zich van het ten onrechte ontvangen van toeslag niet bewust was, behoefde het Uwv er derhalve niet toe te brengen om van terugvordering af te zien. Appellante is de op haar rustende verplichting tot het verstrekken van inlichtingen niet nagekomen: op, onder andere, het inlichtingenformulier van 20 december 2004 heeft zij het ontvangen van pensioen niet vermeld en overigens was zij krachtens artikel 12 van Pro de TW verplicht, nu zij kon weten of vermoeden dat het ontvangen pensioen van invloed kon zijn op haar recht op toeslag, een en ander ook uit eigen beweging aan het Uwv te melden. De in het arbeidskundig rapport van 11 november 2003 voorkomende zin “cliënt is thans een ruim 59-jarige vrouw die per juni 2004 met pensioen zal gaan” kan – wat daar verder van zij – niet als het voldoen aan de op appellante rustende mededelingsplicht worden gezien, al was het slechts omdat zulks nog niets in concreto zegt over de hoogte van het eventuele pensioen. Van dringende redenen die het Uwv zouden moeten nopen om van terugvordering dan wel het opleggen van een boete af te zien, is de Raad niet gebleken.
4.3. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.Riphagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2009.
(get.) J. Riphagen.
(get.) J.M. Tason Avila.
CVG