Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0050

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2139 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:11 AwbArt. 58 WAZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit schorsing WAZ-uitkering wegens onontvankelijk bezwaar

Appellant, een voormalig zelfstandig dierenarts, ontving sinds 1999 een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. In 2006 werd zijn uitkering geschorst vanwege te verwachten inkomsten uit arbeid. Op 15 januari 2007 werd opnieuw een schorsingsbeslissing genomen, die echter geen rechtsgevolg had omdat de uitkering reeds was geschorst.

Het UWV had ten onrechte de beslissing van 15 januari 2007 inhoudelijk heroverwogen in strijd met de Awb, terwijl het bezwaar tegen deze beslissing niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden. De rechtbank had dit niet onderkend en verklaarde het beroep ongegrond.

De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, verklaart het beroep gegrond en het bezwaar tegen de schorsingsbeslissing niet-ontvankelijk. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.

De Raad oordeelt dat het UWV de procedurele regels van de Awb niet heeft nageleefd, waardoor de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar onrechtmatig was. Er zijn geen proceskosten toegekend aan appellant.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar tegen de schorsingsbeslissing niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

08/2139 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 28 januari 2008, 07/561 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 28 augustus 2009. Appellant is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich - eveneens met voorafgaande kennisgeving - niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als zelfstandig dierenarts voor 60 uur per week. Voor deze werkzaamheden is hij op 15 december 1998 uitgevallen wegens rugklachten en psychische klachten.
1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellant met ingang van 14 december 1999 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, welke met ingang van 14 december 2002 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
1.3. Bij beslissing van 15 januari 2007 is aan appellant meegedeeld dat zijn WAZ-uitkering met ingang van 10 november 2006 wordt geschorst. Deze beslissing is gegrond op het vermoeden dat appellant geen recht meer heeft op de uitkering vanwege verdiensten uit (zelfstandige) arbeid.
2. Bij besluit van 18 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de beslissing van 15 januari 2007 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv bij de berekening van de inkomsten voor toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ ten onrechte is uitgegaan van een maatmanomvang van 38 uur per week. Tevens dient volgens appellant ook de uitkering uit de particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering van zijn collega op de winst in mindering te worden gebracht.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. Bij besluit van 16 augustus 2006 was de WAZ-uitkering van appellant reeds geschorst met ingang van 1 september 2006 in verband met te verwachten inkomsten uit arbeid. Gelet op dit besluit is de beslissing van 15 januari 2007, waarbij de uitkering van appellant met ingang van 10 november 2006 is geschorst, niet gericht op enig rechtsgevolg en derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het Uwv, in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 1:3, voornoemd, ten onrechte de beslissing van 15 januari 2007 inhoudelijk heeft heroverwogen. In plaats daarvan had het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het bezwaar tegen de beslissing van 15 januari 2007 alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
6. De Raad is niet gebleken van aan de zijde van appellant gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Verklaart het bezwaar tegen de beslissing van 15 januari 2007 niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 146,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.M. Tason Avila.
TM