ECLI:NL:CRVB:2009:BK0060

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6419 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 AwbWet werk en bijstand
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging bijstandsuitkering en toetsing van intrekkingsbesluit met terugwerkende kracht

Appellante, met Surinaamse nationaliteit en sinds 2000 in Nederland, ontving bijstand vanaf 1 maart 2004. Bij besluit van 22 december 2006 werd haar bijstand beëindigd per 1 januari 2007, dit besluit werd gehandhaafd bij bezwaar van 22 maart 2007 en is onaantastbaar geworden omdat er geen beroep tegen is ingesteld.

Vervolgens werd bij besluit van 28 februari 2007 de bijstand met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 19 augustus 2004. Dit intrekkingsbesluit werd in bezwaar op 19 april 2007 niet-ontvankelijk verklaard, maar bij besluit op bezwaar van 26 juli 2007 werd het intrekkingsbesluit ingetrokken en werd bepaald dat de bijstand niet met terugwerkende kracht wordt ingetrokken.

De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaarde het beroep tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang en verklaarde het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat het intrekkingsbesluit ook de beëindiging van de bijstand zou betreffen en dat het eerdere beëindigingsbesluit buiten werking was gesteld. De Raad oordeelt dat het intrekkingsbesluit uitsluitend betrekking heeft op de terugwerkende intrekking en dat het eerdere beëindigingsbesluit onaantastbaar is. De verwijzing naar het eerdere besluit is slechts informatief. Daarom bevestigt de Raad de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het geschil over de beëindiging van de bijstand per 1 januari 2007 niet aan de orde kan komen omdat het besluit op bezwaar onaantastbaar is geworden.

Uitspraak

07/6419 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2007, 07/3431 en 07/2090, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 22 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. dr. G.P. Dayala hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld op de zitting van 11 augustus 2009. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, die de Surinaamse nationaliteit heeft, verblijft sinds 2000 in Nederland. Haar is met ingang van 1 maart 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand toegekend.
1.2. Bij besluit van 22 december 2006, dat is gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 22 maart 2007, is de bijstand met ingang van 1 januari 2007 beëindigd op de grond dat appellante daar geen recht meer op had. Tegen het besluit van 22 maart 2007 is geen beroep ingesteld.
1.3. Bij besluit van 28 februari 2007 is de aan appellante toegekende bijstand met ingang van 19 augustus 2004 ingetrokken. Het tegen dit besluit gerichte bezwaar is bij besluit van 19 april 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit op bezwaar van 26 juli 2007 heeft het College het besluit van 19 april 2007 ingetrokken en bepaald dat de bijstand niet met terugwerkende kracht wordt ingetrokken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover van belang, met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen het besluit van 19 april 2007 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en het beroep dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 26 juli 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Het geding spitst zich toe op de vraag of de voorzieningenrechter van de rechtbank in het kader van de toetsing van het besluit van 26 juli 2007 terecht heeft overwogen dat het geschil over de beëindiging van de bijstand per 1 januari 2007 niet aan de orde kan komen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
4.2. Appellante stelt zich in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, op het standpunt dat het primaire besluit van 28 februari 2007 niet alleen betrekking heeft op de intrekking maar ook op de beëindiging van de aan haar toegekende bijstand. Volgens haar is het besluit van 22 december 2006 met het besluit van 28 februari 2007 buiten werking gesteld en komt aan het besluit van 22 maart 2007 geen betekenis toe. Appellante is van mening dat zij met het besluit van 26 juli 2007, waarmee het besluit van 28 februari 2007 is ingetrokken, in een nadeligere positie is gebracht. De Raad kan appellante daarin niet volgen.
4.3. De Raad stelt voorop dat op de bezwaren van appellante tegen het besluit van 22 december 2006 tot beëindiging van de bijstand per 1 januari 2007 is beslist met het besluit op bezwaar van 22 maart 2007 dat in rechte onaantastbaar is geworden. Vervolgens moet worden geconstateerd dat het primaire besluit van 28 februari 2007 uitsluitend betrekking heeft op de intrekking van de bijstand met terugwerkende kracht. Dit besluit bevat geen herroeping van het besluit van 22 december 2006 waarbij het recht op bijstand is beëindigd per 1 januari 2007. De enkele verwijzing in het besluit van 28 februari 2007 naar het besluit van 22 december 2006 kan niet anders dan als informatief van aard worden aangemerkt: een mededeling over de eerder vastgestelde datum van beëindiging.
4.4. Nu appellante in eerste aanleg uitsluitend beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de beëindiging van bijstand per 1 januari 2007, is de Raad, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de voorzieningenrechter van de rechtbank dat beroep terecht ongegrond heeft verklaard.
4.5. Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak dan ook te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2009.
(get.) R.H.M. Roelofs
(get.) C. de Blaeij
MM