ECLI:NL:CRVB:2009:BK0063
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens ontbreken juiste verblijfsstatus
Appellante, met de Surinaamse nationaliteit, verbleef sinds 2000 in Nederland en ontving vanaf 1 maart 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Deze bijstand werd per 1 januari 2007 beëindigd vanwege een gewijzigde verblijfstitel die niet voldeed aan de vereisten voor bijstand.
Bij besluiten in 2006 en 2007 werden aanvragen van appellante voor algemene en bijzondere bijstand afgewezen omdat zij niet als Nederlander werd gelijkgesteld op grond van artikel 11 van Pro de WWB, vanwege het ontbreken van de juiste verblijfsstatus. De rechtbank Amsterdam verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij wel aanspraak kon maken op bijstand, maar de Raad stelde vast dat de procedure over haar ingetrokken verblijfsvergunning was afgerond en dat zij slechts nog in procedure was over een nieuwe aanvraag die later werd afgewezen. Hierdoor voldeed zij niet aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander.
De Raad verwierp het beroep van appellante en bevestigde de eerdere uitspraak. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd niet gehonoreerd omdat haar verblijfsstatus niet vergelijkbaar was met vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven of in afwachting zijn van bezwaar of beroep tegen intrekking van de verblijfsvergunning.
De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en deed uitspraak op 22 september 2009.
Uitkomst: De bijstandsuitkering en bijzondere bijstand werden afgewezen omdat appellante niet voldeed aan de vereisten voor gelijkstelling met een Nederlander vanwege haar verblijfsstatus.