ECLI:NL:CRVB:2009:BK0063

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-23 WWB + 09-24 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WWBArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 1 Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW, IOAZ en WWIK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging bijstandsuitkering wegens ontbreken juiste verblijfsstatus

Appellante, met de Surinaamse nationaliteit, verbleef sinds 2000 in Nederland en ontving vanaf 1 maart 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Deze bijstand werd per 1 januari 2007 beëindigd vanwege een gewijzigde verblijfstitel die niet voldeed aan de vereisten voor bijstand.

Bij besluiten in 2006 en 2007 werden aanvragen van appellante voor algemene en bijzondere bijstand afgewezen omdat zij niet als Nederlander werd gelijkgesteld op grond van artikel 11 van Pro de WWB, vanwege het ontbreken van de juiste verblijfsstatus. De rechtbank Amsterdam verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond.

In hoger beroep stelde appellante dat zij wel aanspraak kon maken op bijstand, maar de Raad stelde vast dat de procedure over haar ingetrokken verblijfsvergunning was afgerond en dat zij slechts nog in procedure was over een nieuwe aanvraag die later werd afgewezen. Hierdoor voldeed zij niet aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander.

De Raad verwierp het beroep van appellante en bevestigde de eerdere uitspraak. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd niet gehonoreerd omdat haar verblijfsstatus niet vergelijkbaar was met vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven of in afwachting zijn van bezwaar of beroep tegen intrekking van de verblijfsvergunning.

De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en deed uitspraak op 22 september 2009.

Uitkomst: De bijstandsuitkering en bijzondere bijstand werden afgewezen omdat appellante niet voldeed aan de vereisten voor gelijkstelling met een Nederlander vanwege haar verblijfsstatus.

Uitspraak

09/23 WWB
09/24 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2008, 08/384 en 07/1342 (hierna: aangevallen uitspraak),
in de gedingen tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 22 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld op de zitting van 11 augustus 2009. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, die de Surinaamse nationaliteit heeft, verblijft sinds 2000 in Nederland. Haar is met ingang van 1 maart 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend die met ingang van 1 januari 2007 is beëindigd op de grond dat zij daar gelet op haar gewijzigde verblijfstitel geen recht meer op had.
1.2. Bij besluit van 6 september 2007, dat is gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 3 december 2007, is de op 25 juli 2007 door appellante ingediende aanvraag om bijstand afgewezen. Bij besluit van 27 november 2006, dat is gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 1 maart 2007, is de op 25 oktober 2006 door appellante ingediende aanvraag om bijzondere bijstand voor woninginrichting afgewezen. In deze besluiten is -samengevat- overwogen dat appellante gelet op artikel 11 van Pro de WWB geen recht heeft op algemene of bijzondere bijstand omdat zij geen Nederlander is en niet over de juiste verblijfsstatus beschikt om voor de toepassing van dat wetsartikel met een Nederlander gelijk gesteld te worden.
2. Bij de aangevallen uitspraak zijn de beroepen van appellante tegen de besluiten op bezwaar van 3 december 2007 en 1 maart 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt eerst vast dat appellante ten tijde in geding wegens het ontbreken van een benodigde verblijfsvergunning niet kon worden aangemerkt als een met een Nederlander gelijkgestelde vreemdeling als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de WWB. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of appellante op grond van het derde lid van artikel 11 van Pro de WWB, gelezen in samenhang met het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW, IOAZ en WWIK (hierna: Besluit gelijkstelling), aanspraak kon maken op bijstand. Op grond van artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB, in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling, wordt de vreemdeling die na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) voor de toepassing van de WWB met een Nederlander gelijkgesteld indien hij voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating of tijdig, dan wel verschoonbaar te laat, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vw2000. Deze gelijkstelling eindigt zodra onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist, of de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vw2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven
4.2. De Raad constateert dat de gemachtigde van appellante, ondanks daartoe strekkende verzoeken van het College, geen duidelijke informatie heeft gegeven over de verblijfs-status van appellante en de door haar ingediende aanvragen om een verblijfsvergunning. Op grond van de beschikbare gegevens in het dossier gaat de Raad ervan uit dat appellante aanvankelijk beschikte over een vergunning om bij haar partner in Nederland te verblijven en dat die verblijfsvergunning bij besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 17 januari 2002 met terugwerkende kracht vanaf 8 februari 2001 is ingetrokken. De Raad gaat er voorts van uit dat de door appellante tegen dat besluit ingestelde bezwaarprocedure, waarvan zij de uitkomst in Nederland mocht afwachten, in november 2005 is geëindigd met een uitspraak van de rechtbank waarmee het beroep ongegrond is verklaard. Op 4 november 2005 heeft appellante op medische gronden een vergunning tot verblijf aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen. Appellante heeft tegen het betreffende besluit op bezwaar beroep ingesteld en een voorlopige voorziening aangevraagd om uitzetting te voorkomen. Appellante mocht blijkens een aantekening in haar paspoort in ieder geval tot 2 januari 2008 de uitkomst van deze procedure afwachten.
4.3. De Raad stelt op grond van het voorgaande vast dat ten tijde van de aanvragen van appellante om bijzondere en algemene bijstand de procedure over de ingetrokken verblijfsvergunning was afgerond en dat appellante slechts nog in procedure was over de op 4 november 2005 aangevraagde vergunning tot verblijf. Dit leidt de Raad tot het oordeel dat appellante toen niet voldeed aan de voor toepassing van de WWB geldende vereisten voor gelijkstelling met een Nederlander. Het standpunt van de gemachtigde van appellante dat deze uitkomst in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel leidt niet tot een ander oordeel omdat de verblijfsstatus van appellante ten tijde hier van belang niet vergelijkbaar is met die van een vreemdeling die krachtens een verblijfsvergunning rechtmatig in Nederland verblijft of die in afwachting van het bezwaar of beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning in Nederland mag verblijven.
4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2009.
(get.) R.H.M. Roelofs
(get.) C. de Blaeij
MM