ECLI:NL:CRVB:2009:BK0248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- P.J. Jansen
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over geen recht op ziekengeld wegens ontbreken ongeschiktheid werknemer
Werknemer viel in maart 1999 uit wegens psychische klachten en ontving een WAO-uitkering. Na omscholing werkte hij vanaf 2001 bij appellante met opeenvolgende arbeidsovereenkomsten. Vanaf 9 februari 2003 was werknemer ziekgemeld bij het UWV. Het UWV besloot op 15 maart 2005 dat werknemer vanaf 1 mei 2003 geen recht had op ziekengeld omdat hij kennelijk geschikt was voor zijn werk en de werkgever niet had aangetoond dat hij ongeschikt bleef.
Appellante had nagelaten een arbodienst in te schakelen en had geen informatie verstrekt waaruit ongeschiktheid met terugwerkende kracht bleek. Werknemer werkte in de periode in kwestie en kreeg volledig loon doorbetaald. Er was geen correspondentie over arbeidstherapie of voorschotten op ziekengeld. De Raad oordeelde dat eventuele twijfel over de arbeidsprestatie voor rekening van appellante komt.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Raad bevestigt dit oordeel. De werkgever droeg de bewijslast voor ongeschiktheid en faalde daarin. De Raad achtte aannemelijk dat werknemer zijn werk volledig hervatte per 1 mei 2003 en dat het UWV terecht het recht op ziekengeld ontzegde.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat werknemer vanaf 1 mei 2003 niet ongeschikt was en geen recht had op ziekengeld.