ECLI:NL:CRVB:2009:BK0407
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand wegens ontbreken dringende schulden en middelenvoorziening
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan om diverse schulden af te lossen die waren ontstaan tussen maart 2002 en oktober 2004, waaronder telefoonnota’s en energierekeningen. Zij had eerder bijstand ontvangen en was betrokken geweest bij een schuldsaneringsregeling die tussentijds werd beëindigd waarna haar faillissement werd uitgesproken en later opgeheven wegens gebrek aan baten.
Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB, omdat appellante ten tijde van het ontstaan van de schulden en daarna beschikte over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Tevens ontbraken volgens het College de vereiste zeer dringende redenen en was er geen sprake van dreigende schulden, zoals uitzetting of afsluiting van nutsvoorzieningen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze afwijzing. De Raad oordeelde dat het College niet bevoegd was om op grond van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB alsnog bijstand te verlenen, omdat appellante geen afgewezen aanvraag voor een schuldsaneringskrediet had en geen dringende redenen aannemelijk had gemaakt. Ook toonde appellante niet aan dat zij dreigende schulden had.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand wordt bevestigd wegens het ontbreken van dringende redenen en het beschikken over middelen.