ECLI:NL:CRVB:2009:BK0409
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellant ontving vanaf 15 december 2002 bijstand, welke op 1 oktober 2003 werd ingetrokken en over de periode daarvoor teruggevorderd. Het College stelde dat appellant onvoldoende inzicht gaf in zijn levensonderhoud, mede doordat hij niet alle bankafschriften overlegd had en onduidelijkheid bestond over stortingen van derden op zijn rekeningen.
De rechtbank vernietigde het besluit van het College wegens een onjuiste wettelijke grondslag, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt hoe hij in de periode van 15 december 2002 tot eind mei 2003 in zijn levensonderhoud voorzag. Tevens was onvoldoende onderbouwd dat het tegoed op een ABN-AMRO rekening niet tot zijn vermogen behoorde. Hierdoor was sprake van schending van de inlichtingenplicht op grond van artikel 65 van Pro de Algemene bijstandswet.
De Raad bevestigde dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken en de gemaakte kosten terug te vorderen conform het beleid en de wettelijke bepalingen van de Wet werk en bijstand. Er waren geen bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd wegens onvoldoende inzicht in financiële situatie en schending van de inlichtingenplicht.