ECLI:NL:CRVB:2009:BK0476

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-43 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering herziening intrekking WAO-uitkering wegens niet-verzekerd zijn

Appellante was van 1977 tot 1981 werkzaam in Nederland en viel in 1979 wegens ziekte uit. Na een periode van ziekengeld werd haar een WAO-uitkering toegekend, die in 1982 werd ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Zij vertrok in 1983 naar Turkije en was daarna niet meer verzekerd voor de WAO.

Appellante verzocht in 1992 en 1993 om herziening van het intrekkingsbesluit, wat werd afgewezen. Ook de rechtbank verklaarde haar beroepen ongegrond. In 2005 vroeg zij opnieuw een WAO-uitkering aan, stellende dat haar arbeidsongeschiktheid op 15 september 1992 was ontstaan. Het UWV oordeelde dat zij toen niet verzekerd was en wees de aanvraag af.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraken en oordeelt dat appellante geen recht heeft op een WAO-uitkering omdat zij op het moment van arbeidsongeschiktheid niet verzekerd was. Er is geen sprake van arbeidsongeschiktheid die binnen de verzekeringsperiode is ontstaan. Het hoger beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van herziening van de WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

08/43 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], Turkije (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 november 2007, 06/3107
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante is in hoger beroep gekomen.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M.J.A. Clerx.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Electrotechnische Industrie.
1.2. Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.
1.3. Appellante, geboren op [in] 1955, is sinds 19 september 1977 in Nederland werkzaam geweest als monteuse. Op 11 september 1979 heeft zij wegens het intreden van arbeidsongeschiktheid haar werkzaamheden gestaakt. Met ingang van 23 oktober 1980 is aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 11 juni 1982 heeft het Uwv de uitkering met ingang van 1 juli 1982 ingetrokken. De Raad van Beroep te Groningen heeft bij uitspraak van 17 april 1984 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
1.4. Naar aanleiding van twee daartoe strekkende verzoeken van appellante heeft het Uwv bij besluiten van 9 maart 1992 en 9 maart 1993 geweigerd het besluit van 11 juni 1982 te herzien. Bij uitspraak van 31 december 1993 heeft de rechtbank Amsterdam de door appellante tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
1.5. Bij brief van 23 maart 2005 heeft appellante, onder verwijzing naar enkele medische verklaringen, het Uwv verzocht haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. In antwoord op een haar toegezonden vragenlijst heeft ze het Uwv op 19 december 2005 meegedeeld dat haar arbeidsongeschiktheid op 15 september 1992 is ontstaan. Na bestudering van de medische dossierstukken is de verzekeringsarts R. Borret tot de conclusie gekomen dat er geen enkele aanwijzing is dat de eerste arbeidsongeschiktheids- dag gesitueerd zou moeten worden in de periode, waarin appellante nog voor de WAO verzekerd was. Bij besluit van 22 juni 2006 heeft het Uwv geweigerd appellante een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen, op de grond dat zij ten tijde van het intreden van haar arbeidsongeschiktheid niet verzekerd was voor de WAO.
1.6. Bij besluit op bezwaar van 15 september 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 juni 2006 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft appellantes beroep tegen het besluit van 15 september 2006 ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen, waarbij appellante wordt aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder:
“Uit de stukken is gebleken dat eiseres van 19 september 1977 tot en met 30 november 1981 in dienst is geweest van [naam werkgever] te [plaatsnaam]. Op 11 september 1979 is eiseres uitgevallen voor haar werk wegens ziekte. Na 52 weken ziekte, gedurende welke zij ziekengeld heeft ontvangen, is haar een uitkering ingevolge de AAW en de WAO toegekend. Bij besluit van 11 juni 1982 heeft verweerder met ingang van 1 juli 1982 de uitkering van eiseres ingetrokken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de voormalige Raad van Beroep, die het beroep ongegrond heeft verklaard. Op 7 juli 1983 is eiseres naar Turkije vertrokken. Een tweetal verzoeken van eiseres om het besluit van 11 juni 1982 te herzien zijn door verweerder bij besluiten van 9 maart 1992 en 9 maart 1993 afgewezen. De daartegen ingesteld beroepen zijn bij uitspraak van 31 december 1993 door de rechtbank ongegrond verklaard. Voorts staat vast dat eiseres na 7 juli 1983 niet meer verzekerd is geweest in de zin van de WAO en de (toenmalige) AAW.
Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden kan de rechtbank eiseres niet volgen in haar stelling – naar de rechtbank begrijpt – dat zij wegens de omstandigheid dat zij in Nederland ziek is geworden en dat vanaf 15 september 1992 weer is, per die datum weer recht op een WAO-uitkering zou dienen te hebben. Vast staat immers dat eiseres op 15 september 1992 niet meer verzekerd was ingevolge de WAO. Evenmin is gebleken van arbeidsongeschiktheid die is aangevangen in de verzekerde periode.”.
3.1. De Raad kan zich geheel vinden in deze overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep heeft appellante niets aangevoerd dat een ander licht op de zaak zou kunnen werpen.
3.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2009.
(get.) H.J. de Mooij.
(get.) W. Altenaar.
MM