ECLI:NL:CRVB:2009:BK0543
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- T. Hoogenboom
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Ontbindingsvergoeding niet aan te merken als inkomsten uit arbeid voor WAO-toepassing
Appellant ontving een WAO-uitkering en was tevens werkzaam bij een besloten vennootschap. De kantonrechter had de arbeidsovereenkomst ontbonden en een ontbindingsvergoeding toegekend. Het UWV verrekende deze vergoeding met de WAO-uitkering en vorderde een bedrag terug, stellende dat de vergoeding als inkomen uit arbeid moest worden beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de ontbindingsvergoeding direct verband hield met het dienstverband en daarom als inkomen uit arbeid moest worden aangemerkt. Appellant ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat de vergoeding geen inkomsten uit arbeid waren, maar een vergoeding voor de wijze van beëindiging van het dienstverband.
De Raad overwoog dat de verbintenis tot betaling van de vergoeding uitsluitend voortvloeide uit de rechterlijke beschikking en niet uit een bestaande dienstbetrekking. De vergoeding kon daarom niet als inkomen uit arbeid in de zin van artikel 44 WAO Pro worden aangemerkt. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, herroept de besluiten van het UWV en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De ontbindingsvergoeding wordt niet als inkomen uit arbeid aangemerkt, waardoor de intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering onterecht was.