ECLI:NL:CRVB:2009:BK0547

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-7164 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag

Appellant verzocht om een WIA-uitkering, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde bij besluit van 19 januari 2007 vast dat er geen recht op uitkering was per 6 november 2006. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het Uwv onzorgvuldig had gehandeld en fouten had gemaakt, en dat zijn beperkingen waren onderschat. Ook stelde hij dat de functies waarop de beoordeling was gebaseerd niet passend waren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bevindingen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts juist waren en dat appellant geen bewijs had geleverd van ernstiger beperkingen dan vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

De Raad vond ook de arbeidskundige beoordeling passend en zag geen reden om aan te nemen dat de functies niet geschikt waren. Daarnaast wees de Raad het standpunt van appellant af dat door fouten van het Uwv een recht op uitkering zou zijn ontstaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

08/7164 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 4 november 2008, 07/2962 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij CNV Hout en Bouw, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door
P.J. Langius.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 19 januari 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat er voor appellant per 6 november 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.2. Bij besluit van 16 oktober 2007 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 19 januari 2007 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 19 januari 2007 (het bestreden besluit).
3. Appellant heeft de gronden van het beroep in hoger beroep herhaald. Hij is van mening dat het Uwv onzorgvuldig heeft gehandeld en veel fouten heeft gemaakt. Op zijn minst had het Uwv hem daarom per 19 januari 2007 een uitkering moeten toekennen om die met een uitlooptermijn te beëindigen. Daarnaast is appellant van mening dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet geschikt zijn. Bovendien is er geen inzichtelijke motivering gegeven omdat de FML onderdelen bevat waarop geen beperkingen worden aangenomen, maar waarbij wel een beperkende opmerking wordt gemaakt.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Met de rechtbank ziet de Raad geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit naar de mening van appellant voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. De Raad overweegt hiertoe dat appellant door zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts is gezien als ook gesproken en dat er informatie van de behandelend sector in het dossier aanwezig was welke bij het vaststellen van de FML afdoende is meegewogen. Weliswaar bevat de FML op enkele onderdelen een toelichting op de normaalwaarde, echter, daarbij gaat het niet om een beperkende toelichting. Dat geldt ook voor de toelichting op de onderdelen 4.14 (tillen of dragen) en 4.16 (frequent zware lasten hanteren tijdens het werk). Ter zitting heeft het Uwv duidelijk gemaakt dat ook deze toelichtingen geen beperkingen met zich brengen. Voorts is de Raad, mede gelet op de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 25 januari 2008, waarin deze nogmaals ingaat op de cardiale klachten van appellant, van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn belastbaarheid op de in dit geding van belang zijnde datum, te weten 6 november 2006, onjuist is vastgesteld. Appellant heeft geen stukken ingebracht waaruit blijkt dat hij meer of anders is beperkt dan bij de FML is vastgesteld.
4.3. De Raad kan zich ook verenigen met het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn reactie van 14 oktober 2008 op het beroepschrift nogmaals uiteengezet dat in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen belastingen voorkomen die de belastbaarheid van appellant overschrijden. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om ervan uit te gaan dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet passend zouden zijn voor appellant.
4.4. Overigens overweegt de Raad dat de wet noch de vaste rechtspraak van de Raad enig aanknopingspunt biedt om het standpunt van appellant dat op grond van de fouten van onzorgvuldigheden door of vanwege het Uwv voor hem een recht op uitkering is ontstaan, te kunnen honoreren.
5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) T.J. van der Torn.
TM