Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0630

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens juiste medische en arbeidskundige beoordeling

Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen per 21 januari 2007. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd vanwege onvoldoende motivering, maar oordeelde dat de medische en arbeidskundige grondslag juist was. In hoger beroep stelde appellant dat zijn fysieke mogelijkheden te optimistisch waren ingeschat en dat de functies medisch ongeschikt waren vanwege hartklachten, visusproblemen en suikerziekte.

De Raad overwoog dat appellant in hoger beroep geen nieuwe medische feiten had ingebracht die twijfel konden doen rijzen over de vastgestelde beperkingen zoals weergegeven in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 15 november 2006. De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank en de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige en bezwaarverzekeringsarts dat de functies passend waren.

De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter Doornewaard en griffier Van der Torn op 9 oktober 2009.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens juiste medische en arbeidskundige beoordeling.

Uitspraak

09/3 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 november (lees 24 november 2008), 07/1900 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 19 mei 2009 heeft mr. De Kaste de Raad meegedeeld dat hij zich terugtrekt als gemachtigde van appellant.
Een door appellant op 27 augustus 2009 ingediend verzoek om uitstel van de bij brief van de Raad aan hem van 16 juli 2009 aangekondigde zitting op 28 augustus 2009 om een andere advocaat te kunnen inschakelen, is door de Raad diezelfde dag per faxbrief – wegens strijd met de goede procedure – afgewezen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2009. Appellant is verschenen, vergezeld van A. Soliman als zijn adviseur. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.A. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 7 december 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant per 21 januari 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
1.2. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 juni 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 11 juni 2007 (het bestreden besluit) gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank zich uitgelaten over griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het bestreden besluit rust op een juiste medische en arbeidskundige grondslag, maar dat eerst in beroep een toereikende, inzichtgevende motivering is verstrekt.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het fysieke vermogen van appellant door het Uwv veel te optimistisch is voorgesteld. Appellants behandelend cardioloog heeft vastgesteld dat het maximale inspanningsvermogen van appellant op 60% ligt. Hij moet met regelmaat rust houden. Het Uwv heeft niet goed gemotiveerd hoe hij dat moet combineren met een 40-urige werkweek. Ten onrechte is er geen urenbeperking aangenomen. De functies zijn daarnaast vanwege de hartklachten, visusklachten en suikerziekte in medisch opzicht niet passend. De combinatie van hartklachten en suikerziekte in fysiek te belastende functies kan leiden tot onherstelbare schade aan benen en voeten.
3.2. Met betrekking tot de medische component van de schatting overweegt de Raad als volgt.
3.3. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd. Nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht en er zijn geen objectieve medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen, zoals die zijn weergegeven in de FML van 15 november 2006. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank en het door haar daarop gebaseerde oordeel met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad maakt deze overwegingen tot de zijne.
3.4. De Raad is voorts van oordeel dat de rechtbank ook de grieven van appellant die zien op de medische geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom deze grieven niet slagen. Die functies zijn, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant in medisch opzicht passend te achten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft – in samenwerking met de bezwaarverzekeringsarts – in zijn rapportage van 21 juli 2008 nader toegelicht waarom die functies passend zijn. Evenals de rechtbank acht de Raad deze toelichting toereikend.
4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) T.J. van der Torn.
TM