Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering WAO-uitkering ondanks psychische beperkingen na zorgvuldige deskundigenbeoordeling
Appellant, een voormalig assistent conciërge, viel uit wegens psychische klachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Het UWV wees deze af op basis van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en een arbeidsdeskundige beoordeling die een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% vaststelden. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten.
De rechtbank schakelde een onafhankelijke psychiater in, die een depressieve stoornis matig van aard vaststelde, maar niet retrospectief de ernst van de klachten kon bepalen. Desondanks oordeelde de rechtbank dat het UWV-besluit onvoldoende medische grondslag had en vernietigde het besluit.
In hoger beroep stelde appellant dat de beperkingen onderschat waren en vroeg om een nieuw onderzoek. De Raad vroeg de deskundige om een aanvullende verklaring, waarna deze bevestigde dat de aangepaste FML overeenkomt met zijn bevindingen. De Raad vond dat het UWV de geschiktheid van functies en de mate van arbeidsongeschiktheid adequaat had gemotiveerd en berekend.
De Raad volgde het oordeel van de deskundige en zag geen reden om af te wijken of een nieuw onderzoek te gelasten. De medische en arbeidskundige beoordeling waren zorgvuldig en overtuigend. Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep van appellant af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering vanwege een juiste en zorgvuldige vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Uitspraak
08/5934 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 28 augustus 2008, 08/69 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. M.B. Kramer, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2009, waar appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. van der Weert.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is assistent conciërge geweest en is op 1 november 2001 uitgevallen wegens psychische klachten. Vervolgens heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In dat verband is appellant onderzocht door de verzekeringsarts die, mede op grond van informatie uit de behandelende sector, tot de conclusie is gekomen dat appellant psychische beperkingen heeft. Met inachtneming hiervan heeft zij een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel voor andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15%. Bij besluit van 18 februari 2003 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 31 oktober 2002 niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering.
1.2. Het door appellant tegen dat besluit ingestelde bezwaar, is na een rapport van de bezwaarverzekeringsarts, bij besluit van 12 november 2003 ongegrond verklaard.
1.3. Nadat appellant tegen dat besluit beroep heeft ingesteld, heeft de rechtbank de deskundige dr. P. Naarding, psychiater, ingeschakeld. Deze deskundige heeft, nadat hij appellant had onderzocht, op 8 maart 2006 rapport uitgebracht.
1.4. Op grond van dit rapport is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het besluit van 18 februari 2003 niet op een deugdelijke (medische) grondslag berust. De rechtbank heeft het beroep van appellant bij uitspraak van 11 juli 2006 gegrond verklaard en het besluit van 12 november 2003 vernietigd.
1.5. De bezwaarverzekeringsarts H.A.J. Reker heeft naar aanleiding van het rapport van de deskundige op 3 augustus 2006 een nieuwe FML vastgesteld, waarin onder meer een urenbeperking is opgenomen. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige op grond van deze FML nieuwe functies geselecteerd. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 45 tot 55%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv appellant bij besluit van 4 december 2007 (bestreden besluit) meegedeeld dat zijn bezwaar gegrond wordt verklaard en dat hem met ingang van
31 oktober 2002 een WAO-uitkering wordt toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
2.1. Tegen dat besluit heeft appellant wederom beroep ingesteld omdat hij zich met de aangepaste FML evenmin kan verenigen. Hij heeft er op gewezen dat de deskundige Naarding te kennen heeft gegeven de mate en de ernst van de klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen van appellant op de datum in geding niet retrospectief te kunnen vaststellen. Desondanks heeft de bezwaarverzekeringsarts aangenomen dat de gezondheidsituatie van appellant op de datum in geding dezelfde was als tijdens het onderzoek door de deskundige en heeft hij daaruit conclusies getrokken met betrekking tot de belastbaarheid van appellant op dat moment. Appellant vindt dit een onjuiste gang van zaken.
2.2. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit en heeft het beroep ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep heeft appellant wederom gesteld dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat zijn beperkingen zijn onderschat. Hij heeft aangedrongen op een onderzoek door een andere deskundige.
3.2. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in hoger beroep aangegeven dat het bij het berekenen van de mate van arbeidsongeschiktheid gehanteerde mediane uurloon niet juist is geweest. Uitgaande van het juiste mediane loon heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid echter wederom berekend op 45 tot 55%, zodat het bestreden besluit ongewijzigd is gehandhaafd.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. De deskundige Naarding is tot de conclusie gekomen dat er bij appellant ten tijde van het onderzoek sprake is van een depressieve stoornis, matig ernstig van aard, welke lijkt voort te komen uit een narcistische krenking bij onderliggende persoonlijkheidsproblematiek. Met betrekking tot de datum in geding heeft hij opgemerkt dat het waarschijnlijk moet worden geacht dat appellant op die datum soortgelijke klachten had, daar de persoonlijkheidsproblematiek door hem als belangrijkste factor wordt gezien en deze reeds op de datum in geding aanwezig moet zijn geweest. Voorts heeft hij in dit rapport opgemerkt dat het voor hem niet mogelijk is retrospectief de mate of ernst van de klachten en de beperkingen van appellant op de datum in geding aan te geven, maar in hoger beroep heeft hij, nadat de Raad hem deze vraag had voorgelegd, in een verklaring van 18 mei 2009 alsnog laten weten, dat de door bezwaarverzekeringsarts op 3 augustus 2006 vastgestelde FML in overeenstemming is met de bevindingen in zijn rapport.
4.2. De Raad is alles overwegende van oordeel dat deze deskundige, die de beschikking heeft gehad over alle in geding zijnde medische gegevens, op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld en daarvan op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan. De Raad acht de conclusies van de deskundige, welke conclusies zijn beargumenteerd aan de hand van relevante medische inzichten, begrijpelijk en overtuigend. Het nadere door de deskundige in zijn verklaring van 18 mei 2009 ingenomen standpunt met betrekking tot de belastbaarheid van appellant op de datum in geding kan de Raad niet voor onjuist houden. De Raad heeft dan ook geen aanleiding gevonden om af te wijken van het in vaste jurisprudentie besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Dit betekent tevens dat de Raad geen aanleiding ziet om nogmaals een deskundige in te schakelen.
4.3. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust. Nu het Uwv voorts de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in voldoende mate heeft gemotiveerd en de mate van arbeidsongeschiktheid op juiste wijze heeft berekend, is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.