Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1138

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-769 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaarschrift wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bevestigd

Appellant diende een bezwaarschrift in tegen de afwijzing van een bijstandsaanvraag door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het bezwaar werd door het College niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn van zes weken. Appellant stelde dat het bezwaarschrift tijdig was ingediend, maar kon dit niet aannemelijk maken.

De Raad beoordeelde dat het bezwaarschrift, gedateerd 10 september 2008, pas op 8 oktober 2008 bij de Dienst Werk en Inkomen was ontvangen. Een eerder bezwaarschrift van 10 augustus 2008, waarvan appellant stelde dat het tijdig was ingediend, was niet aantoonbaar ontvangen. Het College had appellant bovendien verzocht te reageren op de termijnoverschrijding, maar appellant gaf geen gehoor aan deze oproep.

Gelet op het ontbreken van een reactie en het wettelijk kader kon het College het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaren. Het hoger beroep van appellant slaagde niet en de Raad wees ook de vordering tot schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het bezwaarschrift is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding en de vordering tot schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

09/769 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2008, 08/4554 en 08/4555 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 13 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2009. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het College een aanvraag van appellant om bijstand afgewezen. Op 8 oktober 2008 heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) een op 10 september 2008 gedateerd bezwaarschrift tegen dit besluit ontvangen. Bij brief van 10 oktober 2008 heeft de DWI appellant namens het College meegedeeld dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en is aan appellant gevraagd om vóór 24 oktober 2008 aan te geven wat de reden daarvan is. Tevens is daarbij meegedeeld dat indien niet op de brief wordt gereageerd het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Appellant heeft op deze brief niet gereageerd.
1.2. Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 juli 2008 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover van belang, met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen het besluit van 28 oktober 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is verzocht om toewijzing van een vordering tot schadevergoeding.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Niet is in geschil dat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift tegen het besluit van 1 juli 2008 eindigde op 12 augustus 2008.
4.2. Door appellant is in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, aangevoerd dat binnen die termijn, te weten op 11 augustus 2008, door zijn toenmalige gemachtigde een bezwaarschrift, gedateerd 10 augustus 2008, is afgegeven bij de balie van het Stadhuis van de gemeente Amsterdam (Stopera). Dit bezwaarschrift is toen voorzien van een stempel van de gemeente Amsterdam, maar niet van een stempel met ontvangstdatum. Volgens appellant moet, nu er onduidelijkheid is over de dag waarop de brief is afgegeven, de datum van dagtekening van de brief worden aangemerkt als datum van ontvangst. Tevens stelt appellant zich op het standpunt dat het College hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld hierover te worden gehoord, waartoe het College op grond van artikel 7:2 van Pro de Awb is gehouden.
4.3. Het College heeft aangevoerd dat de DWI het op 10 augustus 2008 gedateerde bezwaarschrift niet destijds, maar pas na het besluit van 28 oktober 2008, heeft ontvangen. Volgens de gemachtigde van het College worden bij de Stopera ingediende bezwaarschriften altijd voorzien van een datumstempel en worden deze doorgestuurd naar de DWI. Dit is ook gebeurd met het bezwaarschrift van 10 september 2008 dat blijkens de stempels op de ontvangstbevestiging op 3 oktober 2008 bij de Stopera is binnengekomen en op 8 oktober 2008 bij de DWI. Verder is door het College aangevoerd dat in het bezwaarschrift van 10 september 2008 niet wordt gerefereerd aan een bezwaarschrift van 10 augustus 2008, dat het niet kunnen aantonen van de datum van afgifte van dat bezwaarschrift voor risico van appellant komt en dat terecht is afgezien van het horen van appellant omdat door appellant niet is gereageerd op de brief van 10 oktober 2008 waarin gevraagd werd naar de reden van termijnoverschrijding. Gelet hierop was het bezwaarschrift duidelijk te laat ingediend, was het bezwaar om die reden kennelijk niet-ontvankelijk en kon onder toepassing van artikel 7:3 Awb Pro van het horen van appellant worden afgezien.
4.4. De Raad is met de voorzieningenrechter van de rechtbank van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdig een bezwaarschrift heeft ingediend. Mede gelet op hetgeen door het College is aangevoerd, is de Raad van oordeel dat niets er op wijst dat eerder bezwaar is gemaakt dan bij het bezwaarschrift van 10 september 2008.
De Raad volgt het College ook in zijn standpunt dat, nu appellant geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden mogelijkheid om een schriftelijke reactie te geven op de geconstateerde termijnoverschrijding, van het horen van appellant tijdens een hoorzitting kon worden afgezien.
Gelet op het wettelijk kader en bij afwezigheid van een reactie op de brief van 10 oktober 2008, kon het College zich op goede gronden op het standpunt stellen dat redelijkerwijs geen twijfel bestond aan de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar.
4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Het vorenstaande impliceert dat de vordering om het College te veroordelen tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Wijst de vordering om het College te veroordelen tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2009.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) B.E. Giesen.
MM