ECLI:NL:CRVB:2009:BK1229

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6888 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens voldoende arbeidsvermogen ondanks ziekte van Crohn

Appellant, laatstelijk werkzaam als meewerkend voorman op een WSW-kwekerij, viel uit vanwege klachten gerelateerd aan de ziekte van Crohn. Het UWV stelde vast dat appellant per einde wachttijd niet arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant dat zijn beperkingen ernstiger zijn dan vastgesteld, met verwijzing naar het chronische karakter van zijn ziekte en mogelijke terugval.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de aangevoerde grieven geen nieuwe feiten bevatten en dat de beschikbare medische gegevens voldoende zijn om een verantwoord oordeel te geven. De eigen mening van appellant is niet medisch onderbouwd. Gezien zijn medische beperkingen wordt appellant geacht zijn werkzaamheden als meewerkend voorman te kunnen verrichten, waardoor hij niet als arbeidsongeschikt kan worden beschouwd.

De Raad ziet geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen en bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. De weigering van de WIA-uitkering blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant zijn werkzaamheden kan verrichten ondanks medische beperkingen.

Uitspraak

08/6888 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 november 2008, 07/2662 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.A.W. Ketelaars, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.H.M. Jansen, kantoorgenoot van mr. Ketelaars. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.G. de Jong.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant was laatstelijk werkzaam als meewerkend voorman op een WSW-kwekerij, toen hij op 29 november 2004 uitviel met toegenomen klachten o.a. voortkomend uit de ziekte van Crohn.
2. Bij beslissing op bezwaar van 7 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv gehandhaafd zijn beslissing van 22 maar 2007 waarbij hij heeft vastgesteld dat er per einde wachttijd, met ingang van 27 november 2006, geen recht op een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is ontstaan.
3. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
4. In hoger beroep heeft appellants gemachtigde de eerder naar voren gebrachte grieven herhaald. “Volgens appellant zijn zijn beperkingen ernstiger dan dat het Uwv heeft vastgesteld. Appellant lijdt onder andere aan de ziekte van Crohn. Zoals de verzekeringsarts al stelt bestaat er twijfel over de duurzaamheid van de huidige mogelijkheden, gelet op het chronische karakter van de ziekte met ups en downs en de mogelijkheid tot herval”, aldus appellants gemachtigde.
5.1. De Raad stelt vast dat hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, in vergelijking met de stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten bevat. Nu de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen en de eigen mening van appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand niet met medische gegevens is onderbouwd, komt de Raad niet tot een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
5.2. Appellant wordt, met in achtneming van zijn -buiten enige twijfel aanwezige- medische beperkingen, in staat geacht zijn maatgevende werkzaamheden als meewerkend voorman WSW-kwekerij te verrichten, zodat hij niet als arbeidsongeschikt kan worden beschouwd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.C.A. Wit.
TM