ECLI:NL:CRVB:2009:BK1231

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4228 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WGA-uitkering op basis van objectieve medische beoordeling ondanks betwisting beperkingen

Appellante ging in hoger beroep tegen het besluit van het UWV om haar een WGA-uitkering toe te kennen op basis van een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Zij stelde dat haar medische beperkingen, waaronder chronische vermoeidheid, schildklierafwijking, botontkalking en psychische klachten, ernstig waren onderschat en dat zij geen productieve arbeid kon verrichten. Tevens betwistte zij de geschiktheid van de geselecteerde functies.

De Raad volgde de bezwaarverzekeringsarts die stelde dat de overgelegde medische gegevens geen nieuwe feiten bevatten die niet al bekend waren bij de eerdere verzekeringsartsen. De Raad oordeelde dat het niet beslissend is hoe appellante haar beperkingen ervaart, maar of deze objectief-medisch zijn onderbouwd. De FML werd niet aangescherpt vanwege het ontbreken van nieuwe medische onderbouwing.

De Raad vond geen aanleiding tot nader deskundigenonderzoek en oordeelde dat de stelling dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn onvoldoende was onderbouwd. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Raad bevestigde deze uitspraak. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80% en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

08/4228 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2008, 07/1417 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Verbraaken-Vooys, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 29 september 2008 heeft appellante een aantal haar gezondheidstoestand betreffende medische gegevens ingezonden.
Het Uwv heeft bij brief van 29 oktober 2008 een reactie hierop gegeven middels inzending van een commentaar van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2009. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Verbraaken-Vooys, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Eijmael.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de feiten en omstandigheden zoals deze door de rechtbank in de aangevallen uitspraak, gelet op de gedingstukken met juistheid, zijn weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij op bezwaar genomen besluit van 22 mei 2007 (het bestreden besluit) het op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) genomen besluit van 5 december 2006 heeft gehandhaafd. Daarbij heeft het Uwv vastgesteld dat er voor appellante met ingang van 4 januari 2006 recht is ontstaan op een WGA-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.
2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd. In verband hiermee heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om het verzoek van appellante tot benoeming van een medisch deskundige in te willigen.
2.2. Ten aanzien van de aan de arbeidsongeschiktheidsschatting ten grondslag liggende functies heeft de rechtbank geoordeeld dat door de bezwaararbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd is dat de geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn.
2.3. Daarop is het beroep door de rechtbank ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep heeft appellante, onder inzending van een groot aantal medische gegevens van haar (opvolgende) huisartsen en behandelende specialisten, aangevoerd dat haar medische beperkingen als gevolg van haar chronische vermoeidheid, haar schildklierafwijking, de bij haar bestaande botontkalking en haar psychische klachten door de (bezwaar)verzekeringsartsen ernstig zijn onderschat en dat van haar in redelijkheid niet verwacht kan worden ook maar enig productieve arbeid te verrichten. Voorts is aangevoerd dat in de functiebeschrijvingen van de geselecteerde functies signaleringen voorkomen die wijzen op mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante, hetgeen nader overleg met de verzekeringsarts noodzakelijk maakt.
3.2. In reactie hierop heeft de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek bij rapport van 29 oktober 2008 gesteld dat alle reeds bekende klachten van appellante en de gevonden afwijkingen in de overgelegde huisartsjournaals wederom naar voren komen, dat deze geen gegevens bevatten die nog niet bekend waren en dat deze derhalve niet leiden tot nieuwe gezichtspunten.
3.3. Ter zitting zijn de medische klachten, waaronder ook linkerknieklachten en spierpijnen, nader toegelicht en is (opnieuw) verzocht om onderzoek door een medisch deskundige.
4.1. De Raad volgt de bezwaarverzekeringsarts Koek in haar standpunt dat de in hoger beroep overgelegde medische informatie geen gegevens bevat die niet al bij de (bezwaar)verzekeringsartsen bekend waren. De aanscherpingen die appellante ter zitting heeft bepleit van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn niet onderbouwd met nieuwe medische gegevens of met een onderbouwing van medische zijde waarom de in de FML opgenomen beperkingen tekort schieten. De omstandigheid dat appellante een aan de door haar ervaren beperkingen aangepast leven leidt maakt dit niet anders. Niet beslissend is immers hoe appellante haar beperkingen ervaart, maar of voor die beperkingen objectief-medische gronden zijn aan te wijzen.
4.2. In het hiervoor overwogene ligt reeds besloten dat de Raad het niet noodzakelijk acht zich over de medische beperkingen van appellante te laten voorlichten. Daarbij wijst de Raad er nog op dat appellante bij haar opvolgende huisartsen regelmatig voor haar klachten is geweest, dat die klachten serieus zijn genomen, onder andere door vervolgonderzoeken door specialisten, en dat aan de daaromtrent beschikbare gegevens niet valt te ontlenen dat bij de medische oordeelsvorming door de (bezwaar)verzekeringsartsen van belang zijnde aspecten zijn gemist of onderschat.
4.3. De stelling van appellante dat de geselecteerde functies voor haar niet geschikt zijn mist een op die functies toegespitste onderbouwing. De Raad heeft, gelet op de omtrent die functies beschikbare gegevens en de uitgebreide toelichting in het rapport van 15 mei 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige L. Lind op de plaatsgevonden signaleringen, geen reden voor de veronderstelling dat de werkzaamheden in die functies niet door appellante met inachtneming van haar medische beperkingen verricht kunnen worden.
5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.C.A. Wit.
TM