Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2073

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2073 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringSchattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid

Appellante ontving vanaf september 2003 een WAO-uitkering die was gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Na een herbeoordeling in november 2005 werd de uitkering beëindigd omdat haar arbeidsongeschiktheid onder de 15% werd vastgesteld. Appellante meldde vervolgens een toename van haar klachten, maar het UWV besloot in april 2007 op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek de uitkering niet te herstarten.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat er onvoldoende aanleiding was om de vastgestelde belastbaarheid te betwijfelen. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij sinds juni 2006 meer beperkt was en niet in staat om haar functie als docente Verzorging uit te oefenen, mede omdat het UWV aan haar werkgever een advies over functieongeschiktheid had gegeven.

De Raad concludeerde echter dat er geen reden was om aan het medisch onderzoek en de conclusies van het UWV te twijfelen. Appellante had geen aanvullende medische informatie overgelegd die haar beperkingen anders zou doen beoordelen. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellante een WAO-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

09/2073 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 maart 2009, 07/5208 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H.G. in de Braekt, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is op 23 september 2009 ter zitting aan de orde gesteld. Beide partijen zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Aan appellante is vanaf 13 september 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Na een herbeoordeling is de uitkering met ingang van 20 november 2005 beëindigd omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.
1.2. Appellante heeft nadien aan het Uwv gemeld dat zij toegenomen arbeidsongeschikt is in verband met rug- en nekklachten. Het Uwv heeft bij samengestelde besluiten van 3 en 4 april 2007 besloten haar niet opnieuw een uitkering toe te kennen omdat uit nader verricht medisch en arbeidskundig onderzoek was gebleken dat de mate van arbeidsongeschiktheid uitkwam beneden 15%.
1.3. Bij besluit op bezwaar van 1 november 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv, op verzekeringsgeneeskundige grond, zijn weigering gehandhaafd om aan appellante na een wachttijd van vier weken een WAO-uitkering toe te kennen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er onvoldoende aanleiding was de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid voor het verrichten van arbeid van appellante voor onjuist te houden.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd met ingang van 13 juni 2006 meer beperkt te zijn dan door het Uwv is aangenomen. Zij acht zich niet in staat haar eigen functie van docente Verzorging te vervullen, en wijst erop dat in een door het Uwv aan haar werkgever uitgebracht Advies functieongeschiktheid is aangegeven dat zij ongeschikt is voor deze functie.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. De Raad ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vaststelling van de bij appellante ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. Appellante heeft in beroep en hoger beroep geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat haar gezondheidstoestand en de daaruit voortvloeiende functionele beperkingen anders zijn dan waarvan het Uwv is uitgegaan.
4.2. Naar aanleiding van hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot het aan haar werkgever uitgebrachte advies over haar geschiktheid voor haar eigen functie merkt de Raad op dat dit advies voor de in dit geding te beantwoorden vraag niet van doorslaggevende betekenis is voor het op grond van de regelgeving als vervat in
het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, bij appellante verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek.
4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in hoger beroep is de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) I.R.A. van Raaij.
EK