ECLI:NL:CRVB:2009:BK2523

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5688 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag kosten begeleiding buitenshuis wegens overlap met reeds toegekende voorziening

Appellante, een vervolgingsslachtoffer met psychische klachten gerelateerd aan haar Joodse afkomst, had een aanvraag ingediend voor een voorziening in de kosten van begeleiding buitenshuis. Deze aanvraag werd afgewezen door verweerster omdat de kosten geacht werden te vallen onder de reeds toegekende tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer (DMV).

In het beroepsproces stelde appellante dat zij vanwege haar chronische depressies niet veel deelneemt aan activiteiten van het verzorgingstehuis, maar wel graag wandelt en meer uitjes wenst dan het tehuis kan bieden. Tevens wees zij op de financiële situatie waarbij de Zwitserse staat haar inkomsten vrijwel volledig invordert.

De Raad concludeerde op basis van medische verklaringen dat de gevraagde voorziening niet therapeutisch maar recreatief van aard is. Tevens werd meegewogen dat de voorziening DMV inmiddels niet meer wordt ingehouden door de Zwitserse staat. Onder deze omstandigheden achtte de Raad het verwijzen naar de reeds toegekende DMV-voorziening niet onaanvaardbaar en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor kosten van begeleiding buitenshuis wordt afgewezen.

Uitspraak

08/5688 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], Zwitserland (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 29 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 30 juni 2008, kenmerk BZ 47698, JZ/I/60/2008, door verweerster ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2009. Appellante is daar niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.Appellante is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Aanvaard is dat de psychische klachten van appellante in het door de Wet vereiste verband staan met de door haar vanwege haar Joodse afkomst ondergane vervolging. Als aanvullende voorzieningen zijn aan haar verder, voor zover nu van belang, ingaande 1 oktober 2002 een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer (hierna: DMV) en ingaande 24 februari 2006 een vergoeding van opname- en verzorgingskosten in een verzorgingstehuis in Pully toegekend.
1.2. In november 2007 is namens appellante een aanvraag ingediend om toekenning van een voorziening in de kosten van begeleiding buitenshuis. Daartoe is aangevoerd, samengevat, dat appellante vanwege haar psychische klachten een grotere behoefte heeft aan uitjes dan het tehuis kan bieden, maar niet zonder begeleiding kan uitgaan.
Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 21 februari 2008, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat de kosten van de gevraagde voorziening geacht worden te vallen onder de al toegekende voorziening DMV.
1.3. In beroep is, evenals in bezwaar, namens appellante aangevoerd dat zij vanwege haar chronische depressies niet veel meedoet aan de door het verzorgingstehuis georganiseerde activiteiten maar wel graag wandelt, terwijl het verzorgingstehuis maar eenmaal per week een uitje naar het centrum van Pully organiseert. Verder is erop gewezen dat de Zwitserse staat in het kader van een aanvullende vergoeding voor de verzorgingskosten alle inkomsten van appellante invordert en slechts een zakgeld van CHF 240 uitkeert, hetgeen veel te weinig is voor alle door appellante gemaakte extra kosten.
2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.
2.1. Uit de gedingstukken van medische aard, met name uit een verklaring van de behandelend specialist, komt naar voren dat de gevraagde voorziening niet als een therapeutische maar als een recreatieve voorziening is te beschouwen. Verder neemt de Raad in aanmerking dat, naar mededeling van haar gemachtigde ter zitting, door verweerster inmiddels is geregeld dat de voorziening DMV door de Zwitserse staat niet meer wordt ingehouden. Onder deze omstandigheden acht de Raad een verwijzing naar de reeds toegekende voorziening DMV niet onaanvaardbaar.
3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.
4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2009.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) M. Lammerse.
HD