ECLI:NL:CRVB:2009:BK2530

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6288 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, tweede lid, Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag periodieke uitkering op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Appellant, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in maart 2007 een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat zijn vader in krijgsgevangenschap was overleden en dat hij zelf psychische klachten had die verband houden met deze situatie.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat appellant zelf geen vervolging had ondergaan en er geen materieel belang was om hem met de vervolgde gelijk te stellen. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar. Medische adviezen van twee geneeskundig adviseurs, gebaseerd op een onderzoek door arts A.J. Maas, concludeerden dat de psychische klachten van appellant niet leidden tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten of een medische noodzaak tot voorzieningen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het besluit van de Raadskamer WUV deugdelijk was voorbereid en gemotiveerd. Er waren geen nieuwe gegevens die tot een ander oordeel leidden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een periodieke uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

08/6288 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], Indonesië (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 29 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 8 augustus 2008, kenmerk BZ 47663, JZ/Y70/2008, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2009. Daar is appellant niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in maart 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering op grond van de Wet. In dat verband heeft appellant naar voren gebracht dat zijn vader in krijgsgevangenschap is overleden.
1.2. Bij besluit van 4 januari 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster die aanvraag afgewezen op de grond dat geen aanleiding bestaat om appellant - die zelf geen vervolging heeft ondergaan - met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen. In dat verband is overwogen dat appellant op grond van de redelijkerwijs aan het overlijden van zijn vader toe te schrijven psychische klachten niet in aanmerking komt voor een periodieke uitkering of een voorziening, zodat er geen sprake is van een materiële toekenning.
2. De Raad overweegt als volgt.
2.1. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster onder meer bevoegd met de vervolgde gelijk te stellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 verkeerde in omstandigheden die overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat de Raad het besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen.
2.2. Verweerster hanteert bij toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet de, in vaste rechtspraak van de Raad aanvaarde, beleidsregel dat bij afwezigheid van een materieel belang geen aanleiding bestaat voor toelating tot de Wet door gelijkstelling met de vervolgde.
2.3. Blijkens de gedingstukken is het door verweerster ingenomen standpunt in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen zijn gebaseerd op een rapport van een bij appellant verricht medisch onderzoek door één van deze adviseurs, de arts A.J. Maas. Uit de adviezen komt naar voren dat de uit de psychische klachten (neurotische persoonsontwikkeling) van appellant voortkomende beperkingen niet zodanig zijn dat blijkt van een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten of een medische noodzaak tot het treffen van voorzieningen.
2.4. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de voorhanden medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster ingenomen standpunt. Er zijn van de zijde van appellant geen gegevens ingediend die tot een ander oordeel moeten leiden.
3. Gezien het voorgaande moet het beroep van appellant ongegrond worden verklaard.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2009 .
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) M. Lammerse.
HD