ECLI:NL:CRVB:2009:BK2823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag indicatie huishoudelijke verzorging wegens onvoldoende medische grondslag
Appellante, geboren in 1964, leed aan diverse klachten waaronder duizeligheid, hoofdpijn en pijn in arm, schouder en been. Zij vroeg op grond van de AWBZ een indicatie aan voor huishoudelijke verzorging van vier uur per week. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wees deze aanvraag af, een besluit dat na bezwaar werd gehandhaafd op advies van medisch deskundigen en het College voor zorgverzekeringen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij geen overtuigende gegevens had overgelegd die het standpunt van het CIZ konden weerleggen. Appellante voerde aan dat de rechtbank zich had moeten beperken tot het vaststellen van klachten en dat een verklaring van haar huisarts ten onrechte buiten beschouwing was gelaten.
De Raad stelde vast dat de verklaring van de huisarts wel degelijk op de relevante periode zag, maar dat dit geen aanleiding gaf om het besluit van het CIZ onjuist te achten. Het geheel van medische gegevens bood onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat appellante gelet op haar beperkingen was aangewezen op huishoudelijke hulp. De Raad bevestigde daarom het besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De aanvraag voor indicatie huishoudelijke verzorging wordt afgewezen wegens onvoldoende medische grondslag.