AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling dagloon en toekenning WIA-uitkering na bezwaar tegen UWV-besluiten
Appellant, voormalig chauffeur, kreeg aanvankelijk geen WIA-uitkering toegekend omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar en een nadere beoordeling kende het UWV hem een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, maar stelde het dagloon vast op €52,48. Appellant betwistte de hoogte van dit dagloon.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 10 januari 2007 ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en het besluit, omdat de medische en arbeidskundige grondslag niet standhield. Het nieuwe besluit van 27 augustus 2008 werd eveneens vernietigd voor zover het dagloon op €52,48 was vastgesteld.
De Raad stelde het dagloon zelf vast op €107,93 per 24 juli 2006, omdat appellant hiermee instemde. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee kwam de Raad tegemoet aan het beroep van appellant, waarbij het dagloon en de uitkering correct werden vastgesteld.
Uitkomst: Het dagloon van appellant wordt vastgesteld op €107,93 per 24 juli 2006 en eerdere besluiten van het UWV worden vernietigd.
Uitspraak
07/5389 WIA
08/5812 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 augustus 2007, 07/671 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 5 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. Mor-Yazir, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op 27 augustus 2008 heeft het Uwv een nader besluit op de bezwaren van appellant genomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2009. Appellant noch zijn gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
2.1. Appellant is werkzaam geweest als chauffeur bij [werkgever]. De arbeidsovereenkomst is met ingang van 15 mei 2004 ontbonden. Bij besluit van 21 juli 2004 heeft het Uwv appellant met ingang van 1 juli 2004 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
2.2. Op 26 juli 2004 heeft appellant zich ziek gemeld. Bij besluit van 9 juni 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat appellant per 24 juli 2006 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
2.3. Bij besluit van 10 januari 2007 heeft het Uwv het tegen het besluit van 9 juni 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 januari 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit.
4.1 In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat zijn medische beperkingen niet juist zijn vastgesteld en dat hij de geduide functies niet kan vervullen op medische gronden.
4.2. Bij besluit van 27 augustus 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juni 2006 alsnog gegrond verklaard, en appellant per 24 juli 2006 een uitkering ingevolge de WIA toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij heeft het Uwv het dagloon van appellant vastgesteld op € 52,48. In reactie op het nieuwe besluit van 27 augustus 2008 heeft appellant gemotiveerd aangegeven zich niet te kunnen vinden in de hoogte van het dagloon.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Gelet op het nadere besluit van 27 augustus 2008 kan het oordeel van de rechtbank dat de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 10 januari 2007 juist is, niet in stand blijven. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 10 januari 2007 is gegrond en dit besluit zal ook worden vernietigd.
5.2. Nu met het nieuwe besluit van 27 augustus 2008 niet geheel aan het beroep van appellant is tegemoetgekomen, dient de Raad dit besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze procedure te betrekken en te beoordelen.
5.3. Bij brief van 1 september 2009 heeft het Uwv de Raad meegedeeld dat het dagloon van appellant per 24 juli 2006 gewijzigd vastgesteld moet worden op € 107,93. Bij brief van 7 september 2009 heeft appellant meegedeeld zich te kunnen verenigen met het vastgestelde nieuwe dagloon van € 107,93.
5.4. De Raad stelt voorop dat uit 5.3 volgt dat het Uwv het besluit van 27 augustus 2008 voor wat betreft de vaststelling van het dagloon niet handhaaft. Hieruit vloeit voort dat het besluit van 27 augustus 2008, voor zover daarbij het dagloon is vastgesteld op € 52,48, dient te worden vernietigd. Gelet op het feit dat appellant heeft aangegeven zich te kunnen vinden in het gewijzigde dagloon van € 107,93 ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het dagloon van appellant per 24 juli 2006 vast te stellen op € 107,93.
6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 vanPro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 10 januari 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 augustus 2008 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij het dagloon is vastgesteld op € 52,48;
Stelt het dagloon van appellant per 24 juli 2006 vast op € 107,93;
Veroordeelt het Uwv tot betaling van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 144,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2009.