ECLI:NL:CRVB:2009:BK3881
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H. Bedee
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvordering WAO-uitkering wegens onvoldoende feitelijke grondslag na onderzoek
Appellante ontvangt sinds 1981 een WAO-uitkering en sinds 2003 een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Naar aanleiding van een anonieme melding startte het UWV een onderzoek naar vermeende werkzaamheden bij een vennootschap waarvan een vennoot bekend is. Uit het onderzoek bleek dat appellante sinds augustus 2004 werkzaamheden verrichtte en inkomsten had die relevant zijn voor de toeslag en WAO-uitkering.
Het UWV besloot de toeslag en WAO-uitkering vanaf 1 augustus 2004 aan te passen en onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen over de periode tot en met 30 november 2006. Appellante maakte bezwaar en stelde in hoger beroep dat zij na 12 juli 2005 nauwelijks nog werkzaamheden verrichtte en geen betalingen ontving, en dat er geen onderzoek was verricht naar de periode na die datum.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de inkomsten en werkzaamheden aannam tot de afsluiting van het onderzoek op 18 juli 2005 en dat de terugvordering over die periode terecht was. Voor de periode na 18 juli 2005 stelde de Raad vast dat het UWV geen onderzoek had verricht en onvoldoende concrete informatie had om de terugvordering te rechtvaardigen. Daarom vernietigde de Raad de besluiten voor die periode en bepaalde dat het UWV nieuwe besluiten moet nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De terugvordering van toeslag en WAO-uitkering na 18 juli 2005 wordt vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag; terugvordering tot die datum blijft gehandhaafd.