ECLI:NL:CRVB:2009:BK4034
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering en toeslag op grond van onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds 1996 een WAO-uitkering wegens fysieke en psychische klachten en een aanvullende toeslag op grond van de Toeslagenwet. In het kader van een herbeoordeling op basis van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (aSB) werd vastgesteld dat zij geen opvallende psychopathologie meer vertoonde en slechts beperkte fysieke klachten had. Op grond hiervan besloot het UWV de WAO-uitkering en toeslag per 30 oktober 2006 in te trekken.
De rechtbank bevestigde dit besluit, ondanks een verklaring van een psychiater waarin werd gesteld dat appellante psychische klachten had die haar belemmerden. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat zij vanaf 28 februari 2007 weer volledig arbeidsongeschikt was, wat volgens haar in strijd was met het eerdere besluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen aanwijzingen waren dat appellante onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest. Uit medische rapportages bleek juist een knik in de gezondheidstoestand per 17 april 2007, waarna de ernst van de klachten toenam. De Raad volgde de standpunten van de verzekeringsartsen die concludeerden dat de toename van klachten pas na deze datum optrad en dat er in de periode tussen 30 oktober 2006 en 28 februari 2007 benutbare arbeidscapaciteiten waren.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering en toeslag bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering en toeslag wordt bevestigd omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij onafgebroken arbeidsongeschikt is gebleven.