Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4091

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-787 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende objectiveerbare beperkingen

Appellant, werkzaam als inpakker, viel uit vanwege pijnklachten en verkleuringen aan handen en onderarmen. Het UWV weigerde een WIA-uitkering per 4 september 2007, omdat appellant ondanks beperkingen geschikt werd geacht voor bepaalde functies zonder verlies aan verdiencapaciteit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de pijn niet objectief kon worden vastgesteld en de belasting van de functies binnen de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) viel.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn klachten en voerde een rapport van een Belgische arts aan die een beroepsziekte en bijkomende aandoeningen constateerde. De bezwaarverzekeringsarts betwistte de diagnose en vond onvoldoende onderbouwing voor de gestelde beperkingen. De Raad volgde het oordeel van de onafhankelijke deskundige van de rechtbank en vond geen reden om daarvan af te wijken.

De Raad concludeerde dat de beperkingen onvoldoende objectief zijn vastgesteld en dat de belasting van de voorgestelde functies in overeenstemming is met de FML. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

09/787 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 december 2008, 07/4366
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Bosveld, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bosveld voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was werkzaam als inpakker op een groenteveiling. Hij is op 6 september 2005 uitgevallen vanwege pijnklachten aan zijn handen en onderarmen, gepaard gaand met verkleuringen aan de binnenkant van zijn handen en met krachtverlies in zijn handen. Bij besluit van 19 juli 2007 heeft het Uwv geweigerd om hem na afloop van de voor hem geldende wachttijd per 4 september 2007 een uitkering toe te kennen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Namens appellant is tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
1.2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 4 september 2007, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv niet in enig verlies aan verdiencapaciteit. In zo’n geval bestaat geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Ten aanzien van het medische aspect van de schatting heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan de conclusies van de door haar ingeschakelde deskundige, de reumatoloog dr. A.J.G. Swaak. Deze deskundige is in zijn rapport van 24 juli 2008 tot de conclusie gekomen dat er geen objectiveerbare classificerende diagnose gesteld kan worden, anders dan zwarte verkleuring van de handpalm. De pijn kan niet geobjectiveerd worden. Ook de door appellant aangegeven rugklachten konden niet geobjectiveerd worden. Appellant heeft ter zitting van de rechtbank aangevoerd dat er sinds kort ook sprake is van blaarvorming op zijn handen en onderarmen en tevens verkleuring van zijn voeten. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze klachten pas na de datum in geding zijn ontstaan, zodat daarmee geen rekening kan worden gehouden. De verzekeringsarts heeft ondanks het ontbreken van objectiveerbare afwijkingen toch enige beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Dit betreft beperkingen ten aanzien van duwen of trekken, tillen en dragen en het hanteren van voorwerpen. De rechtbank heeft overwogen dat haar niet is gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant zoals neergelegd in de FML overschrijdt.
3.1. In hoger beroep heeft appellant zijn grief gehandhaafd dat zijn klachten in handen en armen en zijn rugklachten in de weg staan aan het verrichten van de geduide functies. Voorts heeft hij een rapport van 11 mei 2009 ingezonden van de Belgische arts dr. F. Brion. Deze arts concludeert dat de huidverkleuring het gevolg is van een beroepsziekte. De ziekte is een beroepsdermatose, hetgeen in Frankrijk leidt tot erkenning van arbeidsongeschiktheid en een statuut van invalide arbeider. Daarnaast is sprake van een limbaal facet syndroom, bovenop een chronische discopathie. Ook is sprake van een depressief syndroom op grond van de neuropathische pijnklachten die worden veroorzaakt door zijn dermatologisch ziektebeeld.
3.2. Bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest heeft in een rapportage van 31 augustus 2009 een reactie geven op het rapport van Brion. Zij merkt op dat de klachten van appellant als medisch geobjectiveerde feiten worden benoemd, terwijl nergens een duidelijk lichamelijk onderzoek wordt vermeld. Ook is er geen duidelijke diagnose vermeld. Nergens in de expertise komen klachten en geobjectiveerde onderzoekbevindingen naar voren waaruit zou blijken dat er sprake is van een depressie. De gepresenteerde onderzoeksgegevens blijken in Nederland bij diverse onderzoeken niet tot dezelfde uitslagen en conclusies te leiden. Zo liet een EMG onderzoek in 2006 geen afwijkingen zien, met name geen aanwijzingen voor een neuropathie. Dit geldt ook voor een huidbiopt dat in 2006 is afgenomen. Een huidbiopt uit 2007 laat niet anders zien dan een niet-specifieke hyperpigmentatie. Bij diverse onderzoeken zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen voor verminderd gebruik van de handen, bijvoorbeeld atrofie van de spieren. De ingebrachte medische informatie van Brion geeft de bezwaarverzekeringsarts dan ook geen aanleiding om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. De Raad kent, evenals de rechtbank, beslissende betekenis toe aan het oordeel van de door de rechtbank benoemde deskundige. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De deskundige heeft ook niet aangegeven dat nog een andere specialist moet worden geraadpleegd. De in hoger beroep ingezonden rapportage van de arts Brion heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. De Raad onderschrijft het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat de conclusies in die rapportage onvoldoende zijn onderbouwd. Voorts onderschrijft de Raad de overweging van de rechtbank dat de belasting in de voorgehouden functies in overeenstemming is met de FML.
4.2. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2009.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) R.L. Rijnen.
KR