ECLI:NL:CRVB:2009:BK4224

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-884 WVG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WvgArt. 3 WvgArt. 1 WvgArt. 1.2 VvgArt. 2.1 Vvg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag woonvoorziening wegens ontbreken medische noodzaak

Appellant verzocht het College van burgemeester en wethouders om een woonvoorziening in de vorm van het wegbreken van een muur om de keuken rolstoeltoegankelijk te maken. Het College wees dit af omdat een hoog-laag trippelstoel als adequate voorliggende voorziening werd beschouwd. Appellant betwistte dit en stelde dat de trippelstoel geen adequate oplossing is vanwege zijn medische situatie.

Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard omdat niet was aangetoond dat de gevraagde voorziening medisch noodzakelijk was. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat het advies van Argonaut noodzakelijk was voor een juiste heroverweging. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek van Argonaut niet gericht was op de noodzakelijkheid en adequaatheid van de voorziening.

De Raad oordeelde dat appellant deze stelling niet had onderbouwd en concludeerde dat niet is gebleken dat er een medische noodzaak is voor de woonvoorziening. Ook de stelling dat de trippelstoel niet de goedkoopste adequate voorziening zou zijn, werd niet behandeld omdat de noodzaak ontbrak. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvraag woonvoorziening bevestigd wegens ontbreken van medische noodzaak.

Uitspraak

08/884 WVG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 december 2007, 06/7219 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 4 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.M. Bonsen-Lemmers, advocate te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2009. Namens appellant is verschenen mr. Bonsen-Lemmers. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish-Willeboordse.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 4 september 2003 heeft het College aan appellant een elektrische rolstoel toegekend.
1.2. Bij brief van 16 juni 2005 heeft appellant het College verzocht hem in het kader van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) in aanmerking te brengen voor een woonvoorziening, namelijk het wegbreken van een stuk van de muur tussen de keuken en de achterkamer met het doel de keuken rolstoeltoegankelijk te maken.
1.3. Bij besluit van 27 september 2005 heeft het College de aanvraag afgewezen, omdat een hoog-laag trippelstoel een adequate voorliggende voorziening is.
1.4. Bij het door appellant tegen het besluit van 27 september 2005 gemaakte bezwaar is een verklaring van de revalidatiearts W. Nieuwstraten van 21 februari 2005 overgelegd, waarin deze onder meer aangeeft dat appellant lijdt aan “ernstige gedesequilibreerde scoliose e.c.i. en hypotonie onderste extremiteiten e.c.i. met pijnlijke varus/valgus klachten”. Aangevoerd is onder meer dat een trippelstoel geen adequate oplossing is, omdat het voor appellant een enorme belasting is om voor ieder wissewasje uit zijn rolstoel te komen, mede door de korsetten die hij draagt.
1.5.1. Het College heeft Argonaut B.V. (hierna: Argonaut) bij brief van 23 februari 2006 verzocht te adviseren over het bezwaar van appellant.
1.5.2. Bij brief van 29 juni 2006 heeft appellant het College meegedeeld aan Argonaut geen toestemming te verlenen om de medische rapportage aan het College over te leggen. Tevens zijn foto’s van de rolstoel en de keuken overgelegd.
1.6. Bij besluit van 21 juli 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 september 2005 ongegrond verklaard. Dit berust op het standpunt dat niet is gebleken dat de door appellant gevraagde woonvoorziening medisch noodzakelijk is, nu het College niet in de gelegenheid is gesteld te beoordelen of de door appellant gevraagde woonvoorziening noodzakelijk is of dat een trippelstoel voor appellant een adequate voorziening is.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 juli 2006 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat voor een juiste heroverweging van het besluit van 27 september 2005 het advies van Argonaut noodzakelijk was. De stelling van appellant dat het onderzoek van Argonaut niet gericht was op de vraag of een trippelstoel een adequate oplossing zou kunnen zijn, heeft appellant niet onderbouwd. De overgelegde foto’s tonen voorts niet aan dat appellant afhankelijk is van de elektrische rolstoel om iets uit de keuken te pakken.
3. Appellant heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Aangevoerd is dat het onderzoek van Argonaut zich niet richtte op de vraag of de door appellant gevraagde voorziening noodzakelijk en adequaat was. Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat een voor hem aan te passen trippelstoel niet de goedkoopste adequate voorziening is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders zorg draagt voor de verlening van onder meer woonvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van Pro de Wvg moeten deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht, zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat de gemeenteraad met inachtneming van hetgeen bij en krachtens de Wvg is bepaald, bij verordening regels dient vast te stellen.
4.2. Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, ten eerste, van de Wvg, voor zover hier van belang, definieert woonvoorziening als elke voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt, met dien verstande dat bij ingrepen van bouwkundige of woontechnische aard in of aan de woonruimte slechts dan een voorziening als woonvoorziening wordt aangemerkt, indien de voorziening gericht is op het opheffen of verminderen van ergonomische beperkingen.
4.3. Ter uitvoering van de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg neergelegde opdracht heeft de raad van de gemeente ’s-Gravenhage de Verordening voorzieningen gehandicapten 1994 (hierna: Vvg) vastgesteld.
4.4.1. Artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vvg luidde ten tijde in geding (voor zover van belang) als volgt:
“1. Een voorziening kan slechts worden toegekend voorzover: (…)
b. deze langdurig noodzakelijk is om diens beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek op het gebied van het wonen of zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te heffen of te verminderen;
c. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.”
4.4.2. Artikel 2.1 van de Vvg luidde ten tijde in geding (voor zover van belang) als volgt:
“1. De door burgemeester en wethouders te verlenen woonvoorziening kan bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van: (…)
b. woningaanpassing (…).”
4.5. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
4.6. Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd vormt voor de Raad geen reden voor een ander oordeel. Daarbij merkt de Raad op dat appellant zijn stelling, dat het onderzoek van Argonaut niet gericht was op de vraag of de door appellant gevraagde voorziening noodzakelijk en adequaat was, ook in hoger beroep niet heeft onderbouwd. De Raad concludeert dan ook dat niet is gebleken dat er voor appellant een (medische) noodzaak is voor de aangevraagde voorziening.
4.7. Aan de beoordeling van de grond dat een trippelstoel niet de goedkoopste adequate oplossing is, komt de Raad niet toe. Zelfs indien de trippelstoel duurder zou blijken te zijn dan het wegbreken van de muur zou immers de afwijzing van de aanvraag in stand kunnen blijven, omdat niet gebleken is dat appellant een voorziening nodig heeft om de keuken te kunnen gebruiken.
4.8. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009.
(get.) H.C.P. Venema.
(get.) J. Waasdorp.
mm