ECLI:NL:CRVB:2009:BK4743

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1771 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering na beoordeling medische en arbeidskundige grondslag

Appellante is sinds 1996 arbeidsongeschikt vanwege een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en ontving een WAO-uitkering van 80 tot 100%.

In 2007 heeft het UWV haar arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld en vastgesteld dat deze minder dan 15% bedroeg, waarna de uitkering werd ingetrokken. Na bezwaar stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 15 tot 25%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat de medische en arbeidskundige onderbouwing juist was en er geen nieuwe medische gegevens waren die een zwaardere beperking aantonen.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvoldoende was en dat zij ernstige klachten heeft, waaronder een borderline persoonlijkheidsstoornis. De Raad onderschreef echter de rechtbank en wees op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts die concludeerde dat appellante grotendeels hersteld is, geen ernstige psychopathologie vertoont en een redelijk niveau van functioneren heeft.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot herziening van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

09/1771 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 februari 2009, 08/1397 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P.J.A. van de Laar, kantoorgenoot van mr. M.J. van de Laar. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A.E.G. de Jong.
II. OVERWEGINGEN
1. Op 25 november 1996 is appellante uitgevallen voor haar werkzaamheden als inpakster voor 30 uur per week als gevolg van een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Aan haar is per 22 november 1997 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
2.1. Bij besluit van 16 mei 2007 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat haar mate van arbeidsongeschiktheid, naar aanleiding van de aangepaste regels voor de schatting van arbeidsongeschiktheid, is onderzocht en dat deze per 16 mei 2007 is afgenomen naar minder dan 15% en dat haar WAO-uitkering per 17 juli 2007 wordt ingetrokken.
2.2. Bij besluit van 27 maart 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante daartegen gegrond verklaard vanwege een hoger maatmanloon en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 15 tot 25%.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding de door de verzekeringsarts vastgestelde en de door de bezwaarverzekeringsarts akkoord bevonden beperkingen die zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 april 2007, voor onjuist te houden. Daarnaast volgt de rechtbank appellante niet in haar stelling dat onvoldoende onderzoek is verricht naar haar psychische klachten. Van de zijde van appellante zijn geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de beperkingen ten gevolge van een posttraumatische stressstoornis zijn onderschat. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een juiste medische en arbeidskundige grondslag.
4. Appellante kan zich niet verenigen met deze uitspraak. Zij stelt zich nogmaals op het standpunt dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft verricht en dat zij vanwege ernstige geestelijke en lichamelijke klachten volledig arbeidsongeschikt is. Zij heeft nekklachten, hoofdpijn, concentratieproblemen, is depressief en er is tevens sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. Ten aanzien van de gronden van appellante in hoger beroep is de Raad van oordeel dat de rechtbank deze gronden afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom deze gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verwijst hiernaar. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een voldoende zorgvuldige medische en arbeidskundige grondslag voor het bestreden besluit. De Raad wijst in dit verband op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 3 maart 2008. Volgens de bezwaarverzekeringsarts voldoet appellante niet aan de uitzonderingscriteria van de verzekeringsgeneeskundige standaard ‘geen duurzaam benutbare mogelijkheden’. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat appellante grotendeels is hersteld van haar PTSS, dat de behandeling van appellante in augustus 2005 is gestaakt en dat appellante in het dagelijkse leven een redelijk niveau van functioneren heeft. Er is niets dat wijst op een ernstige psychopathologie en appellante heeft ook in hoger beroep geen medische stukken overgelegd waaruit dient te worden afgeleid dat zij zwaarder beperkt is dan is vastgelegd in de FML. Hetgeen ter zitting is aangegeven kan naar het oordeel van de Raad ook niet tot een ander oordeel leiden.
5.3. Uit hetgeen is overwogen in 5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2009.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.C.A. Wit.
IvR