ECLI:NL:CRVB:2009:BK5102
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op tegemoetkoming thuiswonende gehandicapte kinderen wegens onvoldoende zorgafhankelijkheid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) om de tegemoetkoming thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG 2000) stop te zetten voor zijn zoon, die het syndroom van Asperger heeft. Na heronderzoek en medisch advies werd vastgesteld dat de zoon een score van vijf punten behaalde, onder het vereiste minimum van zes punten, waardoor hij niet aanzienlijk meer afhankelijk is van geregelde verzorging en oppassing dan een gezond kind van dezelfde leeftijd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank een onjuiste toetsingsmaatstaf had gehanteerd door de beoordelingsvrijheid van de SVB te beperken tot redelijkheidstoetsing. De Raad stelde dat de toepassing van de TOG 2000 door de SVB volledig moet worden getoetst.
De Raad beoordeelde de subcategorieën gedrag, communicatie en bezighouden/handreikingen aan de hand van de interne Richtlijn en concludeerde dat de toegekende punten terecht waren toegekend. De zoon heeft geen ernstige gedragsproblemen die voortdurende toezicht vereisen, communiceert adequaat en kan zich enige tijd alleen vermaken met begeleiding. Daarom werd het beroep tegen het SVB-besluit ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak vernietigd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van de SVB wordt ongegrond verklaard omdat de zoon niet voldoet aan het vereiste minimum aantal punten voor tegemoetkoming.