ECLI:NL:CRVB:2009:BK5191

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6623 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering en afwijzing opleiding leidster kinderdagverblijf

Appellante, voormalig medewerkster businessbalie bij TPG Post, ontving sinds 31 december 2001 een WAO-uitkering die in 2007 werd herzien van 80-100% naar 15-25% arbeidsongeschiktheid. Het UWV wees haar verzoek om een opleiding tot leidster kinderdagverblijf af en stelde een re-integratievisie op.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond, omdat er geen medische reden was voor een urenbeperking en zij geschikt werd geacht voor de voorgestelde functies. In hoger beroep betoogde appellante dat haar rug- en psychische klachten haar verhinderen 40 uur per week te werken en dat de re-integratievisie haar klachten verergerde.

De Raad oordeelde dat het UWV voldoende medisch onderzoek had verricht waaruit bleek dat appellante functionele beperkingen heeft, maar geen urenbeperking nodig is. De voorgestelde functies zijn medisch geschikt en het UWV mocht aannemen dat appellante een re-integratietraject kon volgen. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en wijst het verzoek om een opleiding af.

Uitspraak

08/6623 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 oktober 2008, 07/4201 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2009. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Aan appellante, die werkzaam was geweest als medewerkster businessbalie bij TPG Post, is vanaf 31 december 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze werd laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 12 maart 2007 heeft het Uwv de uitkering, na geneeskundig en arbeidskundig onderzoek, herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van dezelfde datum heeft het Uwv de ten behoeve van appellante opgestelde re-integratievisie aan haar toegezonden. Hierin heeft het Uwv onder meer het verzoek van appellante om een opleiding tot leidster kinderdagverblijf afgewezen.
1.2. Het tegen beide besluiten door appellante gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluiten van 26 november 2007.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de besluiten van 26 november 2007 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank onder andere overwogen dat er onvoldoende reden is om aan te nemen dat voor appellante op medische gronden een beperking in de arbeidsurenomvang zou moeten gelden. Voorts moet zij in staat worden geacht de door de arbeidsdeskundige in aanmerking genomen functies te kunnen vervullen. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien de re-integratievisie voor onjuist te houden.
3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij zich, vanwege haar rugklachten en psychische klachten, niet in staat acht om veertig uur per week te gaan werken. Door de druk die is uitgegaan van de re-integratievisie, waarin is vermeld dat zij in staat is om een re-integratietraject te volgen (waarvoor scholing niet noodzakelijk is), zijn haar psychische klachten toegenomen.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Met betrekking tot de herziening van de WAO-uitkering ziet de Raad geen reden om te twijfelen aan het in het desbetreffende bestreden besluit neergelegde standpunt van het Uwv dat appellante op de in geding zijnde datum van 10 mei 2007 in staat moet worden geacht veertig uur per week te werken. Verzekeringsarts M. van Rooij heeft op grond van zijn onderzoek vastgesteld dat voor appellante functionele beperkingen bestaan in verband met haar rugklachten en psychische klachten. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes naar het oordeel van de Raad deugdelijk toegelicht waarom er geen reden is voor een duurbeperking zolang rekening wordt gehouden met de door Van Rooij aangegeven beperkingen. Hierbij heeft zij zich niet alleen gebaseerd op de medische gegevens uit het dossier en hetgeen appellante naar voren heeft gebracht, maar ook op nader door haarzelf verricht medisch onderzoek bij appellante. Daarna heeft appellante in beroep en hoger beroep geen medische informatie overgelegd waaruit volgt dat een urenbeperking niettemin noodzakelijk was.
4.2. De Raad is voorts van oordeel dat de in de bezwaarfase bij de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage gehanteerde functies van DTP-operator, bell-sell-medewerk(st)er/medewerkster teleservices en soldering technician in medisch opzicht op 10 mei 2007 voor appellante geschikt zijn te achten. Met haar functionele beperkingen wordt in deze functies voldoende rekening gehouden.
4.3. Appellante is van mening dat in de re-integratievisie ten onrechte is aangenomen dat zij in staat is om te re-integreren in medisch geschikte functies. Onder 4.1 en 4.2 heeft de Raad al overwogen dat het Uwv voldoende heeft onderbouwd onder welke omstandigheden en in welke voorbeeldfuncties appellante in staat is loonvormende arbeid te verrichten. Het Uwv is er naar het oordeel van de Raad dan ook terecht van uitgegaan dat appellante in staat was om een re-integratietraject te gaan volgen.
4.4. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) I.R.A. van Raaij.
JL