Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5239

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2434 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 45-55% arbeidsongeschiktheid

Appellante, laatstelijk werkzaam als marketing assistente, ontvangt sinds 1995 een WAO-uitkering wegens nek-, schouder- en knieklachten. Na een heronderzoek in verband met het aangepaste Schattingsbesluit van 2004 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 45 tot 55%. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij meer beperkt was dan vastgesteld en niet geschikt voor de voorgestelde functies.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts voldoende was gemotiveerd, ondanks het ontbreken van evidente wijzigingen in haar medische situatie. De arbeidskundige beoordeling toonde aan dat appellante geschikt is voor passende functies, mede gelet op de beschikbaarheid van ergonomische voorzieningen.

In hoger beroep bracht appellante geen nieuwe objectieve medische gegevens in die twijfel konden zaaien over de vastgestelde beperkingen. De Raad benadrukte dat de inschatting van beperkingen een deskundigheid van de verzekeringsarts is en dat deze beoordeling kan wijzigen door beleidswijzigingen zoals het Schattingsbesluit. De Raad bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 45-55% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt afgewezen.

Uitspraak

09/2434 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 maart 2009, 07/4813 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.E.M. Lucassen, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2009. Appellante is niet verschenen. Namens appellante heeft mr. Lucassen, voornoemd, het woord gevoerd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als marketing assistente. In verband met nek-, schouder- en knieklachten ontvangt zij vanaf 21 februari 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk met ingang van 6 februari 1996 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen, vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 november 2005, in staat wordt geacht arbeid in voor haar passend geachte functies te verrichten. Vergelijking van het zogenoemde maatmaninkomen met de verdiensten in deze functies resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van ruim 51%.
1.2. Bij besluit van 6 maart 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 8 april 2006 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 december 2006 gegrond verklaard. Daarbij is in verband met het alsnog in acht nemen van de juiste uitlooptermijn bepaald dat de WAO- uitkering van appellante wordt herzien naar een percentage van 45 tot 55% per 7 mei 2006.
1.3. Bij uitspraak van 28 juni 2007, 07/367, heeft de rechtbank Breda het beroep van appellante tegen het besluit van 13 december 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift van appellante te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat in de rapportages van de verzekeringsartsen, waarop het besluit van 13 december 2006 is gebaseerd, onvoldoende motivering is te vinden voor het standpunt dat de belastbaarheid van appellante op de betreffende onderdelen van de FML van 2 november 2005 is toegenomen in vergelijking tot de voorgaande beoordelingen.
1.4. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 8 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 maart 2006 (wederom) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 23 augustus 2007. Het Uwv heeft erop gewezen dat in deze rapportage de bezwaarverzekeringsarts nader inzicht heeft gegeven in de factoren die van betekenis zijn geweest voor het verschil tussen de in 1999 en de in 2005 vastgestelde belastbaarheid. Het Uwv heeft de belastbaarheid zoals verwoord in de FML van 2 november 2005 gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 23 augustus 2007 een (deugdelijke) verklaring heeft gegeven voor het verschil tussen de voor appellante in 1999 vastgestelde belastbaarheid en de vaststelling van de beperkingen, zoals neergelegd in de FML van 2 november 2005. In dat verband heeft de rechtbank erop gewezen dat eerder door een verzekeringsarts ingeschatte medische beperkingen niet doorslaggevend zijn voor de beoordeling per een andere, latere datum. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval voldoende gemotiveerd waarom de belastbaarheid is gewijzigd hoewel in de medische situatie van appellante geen evidente wijziging is opgetreden.
2.2. Met betrekking tot de FML van 2 november 2005 is de rechtbank op grond van de beschikbare gegevens van oordeel dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank de onder 2.1 vermelde verklaring voor het verschil met de eerdere beoordelingen in aanmerking genomen. Met de rapportage van 23 augustus 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts tevens voldoende duidelijk gemaakt dat de belastbaarheid en beperkingen van appellante correct zijn neergelegd in de FML.
2.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank vastgesteld dat de (bezwaar)arbeidsdeskundige bij de beoordeling van de passendheid van de functies alle signaleringen en verborgen beperkingen heeft toegelicht. Gelet op deze toelichting is de rechtbank voldoende overtuigd dat appellante voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies geschikt is.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank onvoldoende is ingegaan op de door haar aangevoerde gronden. Zij acht zich meer beperkt dan door het Uwv is vastgesteld. Voorts is de motivering omtrent de passendheid voor de geduide functies niet toereikend en acht zij zich niet geschikt de werkzaamheden in die functies te verrichten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Met betrekking tot de medische beoordeling heeft de Raad geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven en hij stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. In hoger beroep heeft appellante geen wezenlijk nieuwe gronden naar voren gebracht. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen zoals weergegeven in de FML van 2 november 2005. Aan de eigen beleving van appellante met betrekking tot haar gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat zij daaraan gehecht wil zien.
4.2. Bij het voorgaande merkt de Raad nog op, dat de inschatting van de beperkingen die voor iemand uit een bepaalde medische situatie voortvloeien, de specifieke deskundigheid van de (bezwaar) verzekeringsarts is en dat die inschatting uit de aard der zaak in de loop der tijd kan wijzigen. Zulks zal met name het geval zijn na de invoering per 1 oktober 2004 van het per die datum gewijzigde Schattingsbesluit en de daarmee samenhangende (beleids)regels. Gelet hierop heeft de rechtbank er met recht op gewezen, dat het een verzekeringsarts vrij staat om naar aanleiding van op grond van eigen onderzoek verkregen gegevens met ingang van een andere (latere) datum tot een eigen beoordeling te komen van de in aanmerking te nemen beperkingen. Objectieve medische gegevens die een verslechtering van de medische situatie – met name ook ten aanzien van de gestelde rugklachten – zouden kunnen onderbouwen, zijn in hoger beroep niet in geding gebracht.
4.3. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad, gelet op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 8 december 2006, niet gebleken dat appellante de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet zou kunnen verrichten. De Raad merkt in aanvulling op hetgeen de rechtbank, in navolging van de bezwaarverzekeringsarts heeft gesteld terzake van de ook voor appellante bestaande mogelijkheid van grondbereik – waarvoor niet persé knielen of hurken nodig is: het zou ook kunnen via buigen vanuit een stoel – nog op, dat de beschikbaarheid van een ergonomisch verantwoorde stoel in de functies waar het hier om gaat, mag worden verondersteld. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per de datum in geding dan ook terecht vastgesteld op 45 tot 55%.
4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009.
(get.) J. Riphagen.
(get.) M.A. van Amerongen.
EK