Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5371

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4164 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante verzocht het UWV om terug te komen op de beslissing van 9 oktober 2002 waarin haar arbeidsongeschiktheidsuitkering per 4 december 2002 werd ingetrokken. Dit verzoek werd bij besluit van 28 maart 2007 afgewezen en het bezwaar daarop werd bij besluit van 27 augustus 2007 ongegrond verklaard.

De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht had geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die herziening van het besluit rechtvaardigden, conform artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In hoger beroep stelde appellante dat nieuwe inzichten omtrent fibromyalgie in haar ziektebeeld aanwezig waren, die destijds hadden moeten leiden tot het achterwege laten van de intrekking van haar uitkering.

De Centrale Raad van Beroep deelt het oordeel van de rechtbank en stelt dat de door appellante overgelegde informatie geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat die relevant zijn voor de datum van het besluit. Bovendien had deze informatie bij het verzoek om herziening moeten worden overgelegd. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering blijft in stand.

Uitspraak

08/4164 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 3 juni 2008, 07/996
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.L. de Koeijer, advocaat te Terneuzen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante zijn aanvullende stukken ingezonden, waarop het Uwv heeft gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2009, waar appellante is verschenen met mr. De Koeijer, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.J.M. van Eijk.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 28 maart 2007 heeft het Uwv het verzoek van appellante om terug te komen van zijn beslissing van 9 oktober 2002 tot de intrekking van haar arbeidsongeschiktheidsuitkering per 4 december 2002, afgewezen.
1.2. Bij besluit van 27 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
2. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het Uwv, gelet op artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), terecht heeft geoordeeld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan het bestreden besluit niet in stand kan blijven.
3. In hoger beroep is namens appellante -kort samengevat- aangevoerd dat er sprake is van nieuwe inzichten (fibromyalgie) in het destijds bestaande ziektebeeld, die waren zij ten tijde van het nemen van het eerdere besluit geweest, hadden geleid tot het achterwege blijven van het besluit tot intrekking van haar arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ter ondersteuning heeft appellante gewezen op de in hoger beroep overgelegde stukken.
4. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De door appellante in hoger beroep overgelegde informatie bevat evenmin nieuwe feiten of omstandigheden met betrekking tot de datum in geding, nog daargelaten dat ingevolge artikel 4: 6 van de Awb deze informatie bij het verzoek om herziening had dienen te worden overgelegd.
5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen zodat als volgt moet worden beslist.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2009.
(get.) R.C. Stam.
(get.) A.C.A. Wit.
GdJ