Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5372

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4082 WAO + 09-33 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Stb. 2004, 434Stb. 2007, 324
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herziening WAO-uitkering bij long- en psychische klachten

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het UWV waarbij zijn WAO-uitkering werd herzien en de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 25 tot 35%. Hij stelde dat zijn longklachten en psychische aandoeningen ernstiger waren dan in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) waren opgenomen en dat de voorgelegde functies niet passend waren.

De Centrale Raad van Beroep heeft de medische stukken en rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen beoordeeld. De Raad constateerde dat de longarts geen objectieve afwijkingen kon vaststellen en dat de psychische klachten reeds waren verwerkt in de FML. Ook was de behandeling bij de Riagg beëindigd ten tijde van de beoordeling. De arbeidsdeskundige had gemotiveerd waarom appellant met zijn beperkingen de voorgelegde functies kon vervullen.

Appellants argumenten over de ernst van de klachten en de diagnose op As I en As II werden niet gevolgd, omdat het bij de beoordeling ging om beperkingen voor arbeid, niet om diagnoses. De Raad zag geen aanleiding om de medische grondslag van de besluiten onjuist te achten en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening van de WAO-uitkering blijft ongewijzigd.

Uitspraak

08/4082 en 09/33 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 26 juni 2008 en 18 december 2008, 07/4643 en 08/2734 (hierna: aangevallen uitspraken),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
Bij schrijven van 24 juni 2009 heeft mr. K.M. van Wijngaarden, advocaat te Rotterdam, zich als opvolgend gemachtigde gesteld en nadere stukken ingebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2009, waarbij appellant, zijn voornoemde gemachtigde en, namens het Uwv, W.L.J. Weltevrede aanwezig waren. De Raad heeft aanleiding gezien om het verzoek van appellant om het onderzoek te schorsen teneinde hem in de gelegenheid te stellen nadere medische stukken in te dienen te honoreren.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van 23 oktober 2009. Appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. J. Hut.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. Hier volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Appellants mate van arbeidsongeschiktheid is op basis van het aangepast Schattingsbesluit (Stb. 2004, 434) medio 2006 door het Uwv beoordeeld.
1.3. Bij besluit van 10 oktober 2006 heeft het Uwv vervolgens de ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellant toegekende uitkering ,welke laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% met ingang van 19 september 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
1.4. Bij besluit van 29 augustus 2007 (Stb. 2007,324) is het Schattingsbesluit met terugwerkende kracht tot en met 22 februari 2007 aangepast, in die zin dat het Schattingsbesluit zoals dat tot 1 juli 2004 van toepassing was, per 22 februari 2007 weer van toepassing is op uitkeringsgerechtigden, zoals appellant, die na 1 juli 1954 maar vóór of op 1 juli 1959 geboren zijn.
1.5. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv aan de hand van dezelfde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) als gehanteerd bij de beoordeling in 2006 appellant opnieuw beoordeeld en bij besluit van 10 december 2007 appellants uitkering met ingang van 22 februari 2007 onveranderd vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
1.6. Appellant heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 10 december 2007 (hierna: bestreden besluit I), respectievelijk 29 mei 2008 (hierna: bestreden besluit II) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard.
2. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen in de aangevallen uitspraken verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van de besluiten. Omdat de rechtbank van oordeel was dat het bestreden besluit I op een onjuiste wettelijke grondslag berustte heeft zij dit besluit vernietigd met bijkomende bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank zag echter aanleiding de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten.
3.1. In hoger beroep heeft appellants oorspronkelijke gemachtigde de eerder naar voren gebrachte gronden herhaald. De opvolgend gemachtigde heeft op de eerste zitting bij de Raad medische informatie overgelegd over de periode 2007-2008, waarin appellant een tijd gedetineerd was. De gemachtigde heeft voorts aangegeven dat appellant na ommekomst van zijn detentie het Uwv om heropening van zijn uitkering heeft verzocht. Daartoe heeft appellant een herkeuring ondergaan met als gevolg dat hem met ingang van 1 november 2008 een WAO-uitkering toegekend is naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De gemachtigde geeft aan dat zulks gebaseerd is op de medische informatie tijdens de detentie periode. In die periode is er sprake geweest van bijkomende diabetes klachten. Tevens zijn er klachten ontstaan aan de rechterarm. De longklachten zijn met het stijgen van de leeftijd verergerd. Een duidelijk verschil tussen de ernst van deze klachten na afloop en vóór de detentie is door appellant niet te duiden. Zijn psychische klachten zijn stationair gebleven. Al met al echter stelt appellant zich op het standpunt dat een vergelijking van de medische situatie na afloop en vóór detentie geen rechtvaardiging geeft van het verschil in de mate van arbeidsongeschiktheid zoals die nu voorligt. Aangezien bij de onderhavige schattingen door de (bezwaar)verzekeringsartsen geen informatie gebruikt is van de behandelende sector wordt om schorsing van het onderzoek ter zitting verzocht, zodat die informatie alsnog opgevraagd kan worden.
3.2. Bij schrijven van 21 augustus 2009 is door gemachtigde van appellant het verslag van de behandeling van appellant in de polikliniek longziekten bij het Erasmus MC en een brief van psychiater L. Bamburac van de Riagg Rijnmond ingebracht.
3.3. Uit deze informatie komt naar voren dat appellant in de periode 5 juni 2003 tot
12 februari 2004 onder behandeling is geweest bij longarts dr. A.H. Kars, die meerdere onderzoeken en medicaties uitgeprobeerd heeft en appellant, omdat alle opties voor behandeling uitgeprobeerd waren, in 2004 met persisterende klachten terugverwezen heeft naar zijn huisarts. De conclusie van de longarts was dat appellant mogelijk leed aan astma bronchiale met een allergie voor graspollen. Subjectief had appellant veel klachten die objectief door de longarts echter niet vast te stellen waren.
3.4. In haar schrijven van 23 juli 2009 meldt de psychiater van de Riagg dat appellant vanaf maart 2005 tot en met januari 2007 bij haar in behandeling is geweest. Hij was aangemeld met depressieve klachten, maar tijdens de behandeling kwamen andere klachten naar voren zoals achterdochtigheid en akoestische hallucinaties. Depressie stond niet op de voorgrond en de gestelde diagnose destijds was Psychotische stoornis NAO. Medicamenteuze behandeling had enig resultaat. Tot intensieve begeleiding, zoals door haar voorgesteld, is het niet gekomen omdat er weinig toegang was tot appellant en zijn omgeving.
3.5. Blijkens haar rapport van 25 augustus 2009 ziet bezwaarverzekeringsarts S.R. Hofman in de nieuwe ingebrachte medische informatie geen aanleiding om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. In de FML is rekening gehouden met de longklachten, terwijl deze nu niet objectiveerbaar blijken en bovendien dateert deze informatie van jaren voor de datum in geding. De informatie van de Riagg bevat verder geen nieuwe medische informatie. Met de genoemde psychische klachten cq problemen is volgens de bezwaarverzekeringsarts in de FML uitvoerig rekening gehouden.
3.6. Ter tweede zitting van de Raad is van de zijde van appellant toegegeven dat de nieuwe medische informatie geen sluitend beeld geeft over de aard en ernst van de longklachten op de beide data in geding. Appellant stelt zich echter op het standpunt dat deze informatie, in combinatie met de medische informatie tijdens de detentie, aantoont dat de longklachten in de loop der tijd ernstig zijn verslechterd en dat de FML in geding derhalve aanscherping behoeft.
3.7. Ten aanzien van de psychische klachten wordt opgemerkt dat de door de psychiater gestelde diagnose volgens de DSM IV classificatie een As I stoornis is. In de optiek van appellant is de motivering van bezwaarverzekeringsarts Hofman, gelet op de ingebrachte informatie, volstrekt ontoereikend. De eerdere diagnose van de verzekeringsartsen van het Uwv was steeds gesteld op een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis en dit is volgens de DSM IV classificatie een As II stoornis. De combinatie van nieuwe en oude gegevens duiden er volgens appellant op dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat.
3.8. Voor wat betreft de medische geschiktheid van de aan appellant voorgehouden functies is namens appellant nog naar voren gebracht dat appellant bij een aantal functies in aanraking komt met damp en verdunningsgeur, hete lucht en damp van gesmolten metaal. Voorts was volgens de primaire verzekeringsarts appellant beperkt voor nauwe samenwerking met collega’s en dit komt volgens appellant voor bij de functies wikkelaar en elektromonteur, zodat deze functies hem niet voorgehouden hadden mogen worden.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. De Raad ziet op grond van de stukken geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellants longklachten rond de data in geding ernstiger ingeschat hadden moeten worden dan door de (bezwaar)verzekeringsartsen in de FML is aangenomen. De Raad constateert voorts dat de behandeling bij de Riagg ten tijde van de onderhavige beoordeling beëindigd was. Ten aanzien van de stelling met betrekking tot de mogelijke diagnoses op zowel As I als As II kan de Raad het standpunt van het Uwv volgen dat het bij de beoordeling niet om de vaststelling van een diagnose gaat, maar om de vaststelling van beperkingen voor het verrichten van arbeid. De Raad ziet geen aanleiding de medische grondslag van de bestreden besluiten voor onjuist te houden.
4.3. Ten aanzien van de longklachten van appellant in combinatie met enkele kenmerken van de geduide functies merkt de Raad op dat de longarts geen te objectiveren afwijkingen heeft kunnen vaststellen en het enkel heeft over een mogelijke allergie voor pollen.
4.4. Met betrekking tot de (on)mogelijkheid van appellant om nauw met anderen samen te werken stelt de Raad vast dat verzekeringsarts K. Golab dit verwerkt heeft in de FML bij het aspect omgaan met conflicten, waarbij appellant volgens hem sterk beperkt is. Blijkens de FML heeft appellant wel een mogelijkheid om met anderen samen te werken met als voorwaarde dat de werkzaamheden een eigen, van te voren afgebakende deeltaak kennen. Blijkens de resultaat functiebeoordeling worden beide door appellant gewraakte functies gekenmerkt door een eigen afgebakende deeltaak.
4.5. Naar het oordeel van de Raad heeft bezwaararbeidsdeskundige J.W. van Zijl in zijn rapporten van 7 december 2007 genoegzaam gemotiveerd waarom appellant met zijn beperkingen in staat moet zijn de hem voorgehouden functies te vervullen.
4.6. Het hoger beroep slaagt niet.
4.7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak met als kenmerk 07/4643 voor zover aangevochten;
Bevestigt de aangevallen uitspraak met als kenmerk 08/2734 in het geheel.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2009.
(get.) A.T. de Kwaasteniet.
(get.) T.R.H. van Roekel.
IvR