ECLI:NL:CRVB:2009:BK5374

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3955 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidskundige gronden

Appellante ontving een WAO-uitkering die door het UWV per 21 april 2007 werd ingetrokken op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank die het besluit in stand hield, ging appellante in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelt dat de medische gronden voor de intrekking voldoende zijn gemotiveerd door verzekeringsartsen, die geen objectieve redenen voor zwaardere beperkingen vonden. Echter, de arbeidskundige onderbouwing van het besluit is onvoldoende inzichtelijk en toetsbaar. De toelichtingen van de arbeidsdeskundigen over de geschiktheid van functies voor appellante zijn niet adequaat gemotiveerd, met name ten aanzien van frequent tillen en torderen.

Hierdoor is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genomen. De Raad vernietigt daarom het besluit en de aangevallen uitspraak, en beveelt het UWV een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de arbeidskundige gronden.

Uitspraak

08/3955 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 mei 2008, 07/8159
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2009. Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Beelaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M. Schuijt.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.
2.1. Bij besluit van 20 februari 2007 heeft het Uwv de ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aan appellante toegekende uitkering, welke laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 21 april 2007 ingetrokken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.
2.2. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt.
2.3. Bij besluit van 27 september 2007 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen in de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit.
4.1. Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Zij blijft de mening toegedaan dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij het vaststellen van haar beperkingen onvoldoende rekening hebben gehouden met haar klachten.
4.2. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag is van de zijde van appellante gemotiveerd aangegeven waarom naar haar mening de toelichting op de overschrijdingen op een aantal punten onjuist of ontoereikend is. In de functie samensteller metaalwaren (sbc-code 264140) dient dagelijks tijdens 8 werkuren 150 maal ongeveer 5 kg achtereen te worden getild. Volgens de arbeidskundige is appellante op dit onderdeel niet beperkt. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is echter aangegeven dat appellante op het item tillen of dragen beperkt is: zij kan ongeveer 5 kg tillen of dragen en is in het frequent zware lasten hanteren tijdens het werk (ongeveer 10 maal per uur) eveneens beperkt in de zin dat zij niet in staat geacht wordt tijdens een uur per dag frequent zware lasten van ongeveer 15 kg te hanteren. Indien, aldus appellante, 5 kg de grens vormt en ook de frequentie van zware lasten hanteren beperkt is, dan is niet goed te begrijpen waarom 30 maal per uur 5 kg tillen/dragen en dat gedurende de gehele werkdag, derhalve zeer frequent de gehele dag door, niet bezwaarlijk zou zijn. Indien de bezwaarverzekeringsarts akkoord gaat met deze frequentie dan ontbreekt volgens appellante in elk geval de motivering daartoe. Dit is derhalve niet goed controleerbaar, terwijl er van de zijde van appellante wel degelijk behoefte daartoe bestaat, zeker als het gaat om een frequentie van om de twee minuten.
4.3. Van de zijde van appellante wordt verder aangevoerd dat ook bij signaleringen gesteld kan worden dat er sprake is van een motiveringsgebrek, bijvoorbeeld bij het item torderen. Appellante is bij dit onderdeel niet beperkt geacht, maar desondanks staat er bij een aantal functies, waaronder de eerder genoemde functie samensteller metaalproducten, een zogenaamde M als indicatie van een mogelijke overschrijding. Volgens de FML kan appellante de romp 45 graden draaien. Een frequentie wordt in de FML niet genoemd. Appellante stelt zich dan ook de vraag of tijdens 8 werkuren 150 maal ongeveer 45 graden kortcyclisch torderen binnen de normaalwaarde blijft. Appellante kan zich niet voorstellen dat de enkele opmerking van de bezwaararbeidsdeskundige dat appellante op dit punt niet beperkt is als toereikende motivering gezien kan worden.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. Ten aanzien van de beoordeling van de medische grondslag van het bestreden besluit door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hierover is overwogen. De verzekeringsartsen hebben voor appellante een aantal beperkingen vastgesteld in de (FML) met betrekking tot haar mogelijkheden tot functioneren. Zij hebben daarbij het eigen onderzoek van de primaire verzekeringsarts en de door hem verkregen informatie van de huisarts, alsook vroegere informatie uit het dossier betrokken. Beide verzekeringsartsen hebben voor de Raad voldoende overtuigend gemotiveerd dat voor zwaardere beperkingen geen objectief medische redenen bestaan.
5.3. Voor wat betreft de arbeidskundige gronden in hoger beroep constateert de Raad op de eerste plaats dat aan de schatting drie gemotiveerde functies ten grondslag liggen. De Raad kan appellante volgen in haar argumenten dat met de toelichtingen van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen onvoldoende inzichtelijk en toetsbaar is onderbouwd waarom de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt kunnen worden geacht.
5.4. Uit overweging 5.3 vloeit voort dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd, zodat het is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dient te worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten, dient te worden vernietigd. Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,- hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 september 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,-;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 146,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.C.A. Wit.
KR