ECLI:NL:CRVB:2009:BK5650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-verzekering AOW wegens ontbreken ingezetenschap Nederland
Appellant, woonachtig in Duitsland, vroeg een AOW-uitkering aan met terugwerkende kracht. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem een AOW-pensioen toe met een korting van 98% wegens 49 niet-verzekerde jaren, omdat hij volgens hen niet als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd in de periode van 1 juni 1964 tot 31 december 1965.
Appellant voerde aan dat hij in die periode als monteur in Nederland had gewerkt en woonruimte in Eindhoven had. De rechtbank oordeelde echter dat appellant onvoldoende had aangetoond dat hij sociaal en juridisch gebonden was aan Nederland. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat appellant niet in het Nederlandse bevolkingsregister stond ingeschreven, maar in het Duitse.
De Raad benadrukt dat volgens EG-Verordening 3/58 artikel 13 bij Pro werkzaamheden in meerdere lidstaten de wetgeving van het woonland geldt. Aangezien appellant in Duitsland woonde en verzekerd was, was de Duitse wetgeving van toepassing. Daarom was appellant niet verzekerd voor de AOW in de betwiste periode en is de korting terecht toegepast.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de korting op de AOW-uitkering blijft gehandhaafd.