ECLI:NL:CRVB:2009:BK5925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- R. Kooper
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding met broer
Appellant diende meerdere aanvragen in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In de periode van 15 september 2006 tot en met 19 januari 2007 werd appellant samen met zijn broer aangemerkt als gehuwd, waardoor zij een gezamenlijke huishouding voerden. De aanvraag van 19 november 2007 werd afgewezen omdat appellant geen zelfstandig recht op bijstand had.
De Raad oordeelde dat het College terecht toepassing gaf aan artikel 3, tweede en vierde lid, van de WWB, waarin wordt bepaald dat personen die binnen twee jaar voorafgaand aan de aanvraag als gehuwden zijn aangemerkt en samenwonen, worden vermoed een gezamenlijke huishouding te voeren. Het huisbezoek op 4 december 2007 toonde aan dat de woningen van appellant en zijn broer met elkaar verbonden waren en dat appellant geen eigen kookvoorziening had.
Appellant voerde aan dat hij zelfstandige woonruimte huurde en dat er geen sprake was van hoofdverblijf in dezelfde woning, maar de Raad verwierp dit standpunt. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat het College een foutief besluit van 6 juli 2007 niet rechtsgeldig kan handhaven. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens geweigerd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant met zijn broer een gezamenlijke huishouding voert en daardoor geen zelfstandig recht op bijstand heeft.