Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6609

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3506 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:75 AwbArt. 9 procesregeling bestuursrechtelijke colleges 2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens gebrek aan belang bij eervol ontslag ambtenaar

Appellant werd eervol ontslagen door het bestuur van het openbaar onderwijs wegens gewichtige redenen. Na bezwaar werd het ontslagbesluit herroepen en een financiële regeling toegekend die gelijk is aan een uitkering bij onvrijwillig ontslag zonder eigen schuld. Appellant stelde beroep in tegen dit besluit.

In hoger beroep bestreed appellant slechts de juistheid van een overweging van de rechtbank die ten overvloede was en geen bindende beslissing inhield. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende direct belang had bij deze overweging om het hoger beroep ontvankelijk te verklaren.

Daarnaast werd het verweer van het bestuur dat appellant de beroepsgronden te laat had ingediend verworpen, omdat appellant alsnog binnen een redelijke termijn de gronden aanleverde en geen duidelijke waarschuwing was gegeven over niet-ontvankelijkheid.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan belang en dat geen toepassing van artikel 8:75 Awb Pro aan de orde is. De uitspraak werd gedaan door K. Zeilemaker op 3 december 2009.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

08/3506 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2008, 06/4349 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam (hierna: bestuur)
Datum uitspraak: 3 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.R. Samuel, advocaat te Breda. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.I. Siem, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 12 juni 2005 heeft het bestuur appellant eervol ontslag verleend wegens redenen van gewichtige aard.
1.1. Bij besluit van 25 september 2006 heeft het bestuur appellants tegen dat besluit gerichte bezwaren gegrond verklaard en het besluit van 12 juni 2005 herroepen in die zin dat aan het ontslag een financiële regeling wordt verbonden die ten minste (de garantie van) een uitkering inhoudt gelijk aan die waarop aanspraak bestaat bij een onvrijwillig ontslag dat niet is te wijten aan eigen schuld of toedoen van appellant. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 25 september 2006.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant de rechtsgeldigheid van het ontslagbesluit niet betwist. De door de gemachtigde van appellant eerst ter zitting opgeworpen stelling dat appellant nog steeds de gewichtige reden op grond waarvan hij is ontslagen betwist, is door de rechtbank, als zijnde in strijd met een goede procesorde, niet meegenomen in de beoordeling van het geschil.
Tot slot heeft de rechtbank ten overvloede overwogen dat uit het dossier is gebleken dat appellant op 23 augustus 2005 een aanvraag voor een werkloosheidsuitkering heeft gedaan, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) appellant bij besluit van 3 november 2005 vanaf 1 september 2005 een voorschot heeft toegekend en dat appellants stelling, dat het Uwv tot nog toe geen besluit heeft genomen ten aanzien van de uitkering van appellant, derhalve onjuist is.
3. Appellant heeft in hoger beroep uitsluitend de juistheid van die laatste overweging van de rechtbank bestreden.
4.1. Alvorens over te gaan tot de beoordeling van het hoger beroep van appellant zal de Raad allereerst ingaan op het verweer van het bestuur dat appellant, nadat hij bij brief van 27 juni 2008 daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet binnen vier weken de gronden van het hoger beroep heeft ingediend. De Raad stelt vast dat de gronden van het hoger beroep een dag na het verstrijken van de in de brief van 27 juni 2008 gestelde vier weken termijn zijn ontvangen. De Raad wijst er evenwel op dat ingevolge artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 9 van Pro de procesregeling bestuurs-rechtelijke colleges 2006, niet-ontvankelijk verklaring van het hoger beroep slechts plaatsvindt indien in de uitnodiging tot herstel van het verzuim is meegedeeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Nu in de brief van 27 juni 2008 een zodanige mededeling niet is vervat en appellant zijn beroepsgronden heeft ingediend ziet de Raad geen aanleiding het hoger beroep op die grond niet-ontvankelijk te verklaren.
4.2. Ten aanzien van de door appellant gewraakte overweging van de rechtbank overweegt de Raad dat hij in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd onvoldoende belang ziet om het hoger beroep ontvankelijk te achten. Volgens vaste rechtspraak is voor een ontvankelijk (hoger) beroep immers vereist dat kan worden gewezen op enig direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden (proces)belang bij een beslissing. De in hoger beroep aangevochten overweging betreft een overweging ten overvloede, die geen bindende beslissing behelst ter zake van enig tussen partijen bestaand punt van geschil. Omdat appellant geen specifiek aan het onderhavige geschil te relateren belang naar voren heeft gebracht, dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens gebrek aan belang.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2009.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) K. Moaddine.
HD