ECLI:NL:CRVB:2009:BK6611

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3756 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van bezwaar wegens termijnoverschrijding bij beoordeling functioneren ambtenaar

Appellant ontving op 27 november 2006 de beoordeling van zijn functioneren over de periode van 11 juli 2005 tot 19 oktober 2006. Tegen deze beoordeling maakte appellant bezwaar, maar dit bezwaar werd door het dagelijks bestuur van stadsdeel Amsterdam-Noord niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen de wettelijke termijn van zes weken was ingediend.

De rechtbank Amsterdam stelde vast dat het bezwaarschrift, hoewel gedateerd 16 januari 2007, pas op 2 mei 2007 was ontvangen, en verklaarde het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond. Appellant stelde dat hij het bezwaarschrift op 16 januari 2007 persoonlijk had ingediend, maar kon dit niet onderbouwen met objectief bewijs.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het bezwaarschrift niet tijdig is ontvangen en dat dit voor risico van appellant komt. Ook de stelling dat het bezwaar eerder was ingediend, bijvoorbeeld op 20 april 2007, verandert hier niets aan. De Raad oordeelt dat de rechtbank de termijnoverschrijding terecht niet verschoonbaar heeft geacht en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.

Uitkomst: Het bezwaar van appellant is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn.

Uitspraak

08/3756 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2008, 07/5092 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord (hierna: dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 3 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2009. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich met kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij brief van 27 november 2006 heeft het dagelijks bestuur appellant de beoordeling van zijn functioneren over de periode van 11 juli 2005 tot 19 oktober 2006 doen toekomen.
1.2. Bij besluit van 28 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het door appellant tegen zijn beoordeling gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift. Daartoe heeft het dagelijks bestuur overwogen dat het bezwaarschrift van appellant, gedateerd 16 januari 2007, eerst op 2 mei 2007 is ontvangen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de raad het volgende.
3.1. Niet in geschil is dat de beoordeling op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven wijze bekend is gemaakt door toezending aan het adres van appellant. De rechtbank heeft vastgesteld dat het besluit op 14 december 2006 aan appellant bekend is gemaakt. De Raad zal dit gegeven als uitgangspunt hanteren, mede gezien het e-mailbericht van appellant van 20 juni 2007, waarin hij deze datum noemt.
3.2. Gelet op artikel 6:8 van Pro de Awb ving de termijn om bezwaar te maken aldus aan op 15 december 2006 en eindigde op 25 januari 2007.
In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
3.3. De stelling van appellant dat hij het bezwaarschrift op 16 januari 2007, derhalve binnen de bezwaartermijn, persoonlijk aan de secretaresse van de heer Kolhorn, stadsdeelsecretaris van stadsdeel Amsterdam-Noord, heeft overhandigd wordt door het dagelijks bestuur nadrukkelijk ontkend. Appellants stelling wordt niet ondersteund door enig objectief en verifieerbaar gegeven. Appellant heeft geen ontvangstbevestiging gevraagd en is er verder niet in geslaagd om aan te tonen dat het bezwaarschrift op 16 januari 2007 is aangeboden.
Op grond van een door appellant ingebracht afschrift van een aan hem gericht e-mailbericht van 20 april 2007, afkomstig van het hoofd van de afdeling personeels-zaken, bezien in het licht van de zich in het dossier bevindende stukken, moet weliswaar worden geconcludeerd dat het bezwaarschrift van appellant niet, zoals door het dagelijks bestuur gesteld, op 2 mei 2007 is ontvangen maar - elektronisch - reeds op 20 april 2007, doch dit een en ander neemt niet weg dat het bezwaarschrift ook dan niet voor het einde van de termijn is ontvangen.
3.4. De stelling van appellant ter zitting dat uit het e-mailbericht van 21 mei 2007, waarin staat dat het bezwaar inderdaad nogal heeft rondgezworven, kan worden afgeleid dat zijn bezwaar reeds eerder was ingediend, maakt dit niet anders. Aannemelijk is dat die passage ziet op het op 20 april 2007 ingekomen bezwaarschrift.
3.5. Gelet op het vorenstaande is de Raad, onder verwijzing overigens naar hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen, van oordeel dat het feit dat het bezwaarschrift niet binnen de termijn van zes weken is ontvangen voor risico van appellant dient te komen. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid vastgesteld dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn is ingediend. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad voorts geen aanleiding het oordeel van de rechtbank, dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, voor onjuist te houden.
3.6. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2009.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) K. Moaddine.
HD