ECLI:NL:CRVB:2009:BK6875

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1271 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
  • J. Riphagen
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen besluit over WAZ-uitkering op andere data

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van 13 december 2007 van het Uwv, waarin werd vastgesteld dat hij per 22 februari 2007 geen recht had op een WAZ-uitkering. Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden van het bezwaar niet binnen de gestelde termijn van vier weken waren ingediend. De rechtbank Assen verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het niet tijdig indienen van de bezwaarschriftgronden rechtvaardigt dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard.

In hoger beroep stelde appellant dat het besluit van 13 december 2007 een wijzigingsbesluit was van het eerdere besluit van 16 augustus 2006, zodat het meegenomen had moeten worden in het hoger beroep tegen dat eerdere besluit. De Raad overwoog echter dat de besluiten zien op verschillende rechten op uitkering op verschillende data, beoordeeld onder verschillende wettelijke kaders, en dat het besluit van 13 december 2007 daarom geen wijzigingsbesluit is in de zin van artikel 6:18 Awb Pro.

De Raad sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en bevestigt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Het hoger beroep wordt verworpen en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt bevestigd.

Uitspraak

09/1271 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 20 januari 2009, 08/410 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.A.Th. Kostwinder, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een andere hoger beroepszaak tussen partijen, geregistreerd onder nummer 08/1307 WAZ, plaatsgevonden op 4 november 2009. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde; het Uwv zich heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Metus. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 13 december 2007 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij per 22 februari 2007 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Bij brief van 22 januari 2008, bij de rechtbank ingekomen op 23 januari 2008, is namens appellant op nader aan te voeren gronden bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 december 2007. Bij brief van
4 februari 2008 heeft de rechtbank deze brief doorgezonden aan het Uwv ter behandeling als bezwaarschrift.
1.2. Bij brief van 25 februari 2008 heeft het Uwv aan de gemachtigde van appellant de aan het besluit ten grondslag liggende stukken toegezonden en verzocht de gronden van het bezwaar binnen vier weken na dagtekening van die brief toe te sturen. Daarbij is vermeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard als appellant niet tijdig reageert.
1.3. Bij brief van 4 maart 2008 heeft het Uwv nog twee arbeidskundige stukken aan de gemachtigde van appellant toegezonden.
1.4. Bij brief van 27 maart 2008, bij het Uwv ingekomen op 31 maart 2008, zijn namens appellant de gronden van het bezwaar ingediend.
1.5. Bij besluit van 1 april 2008, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant niet tijdig de gronden van het bezwaar heeft ingediend.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat het bezwaarschrift niet de gronden bevatte en dat de gronden eerst na het verstrijken van de termijn van vier weken genoemd in de onder 1.2 bedoelde brief van 25 februari 2008 zijn ingediend. Voorts is niet gebleken dat namens appellant tijdig is verzocht om uitstel voor het indienen van gronden. Naar het oordeel van de rechtbank staat de omstandigheid dat de gronden van het bezwaar ten tijde van het nemen van het bestreden besluit wel reeds bij het Uwv bekend waren niet aan niet-ontvankelijkverklaring in de weg . Ook overigens heeft de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar aanvaardbaar geacht.
3. In hoger beroep heeft appellant herhaald hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd. Daarnaast heeft hij er op gewezen dat ten tijde van het nemen van het besluit van 13 december 2007 tussen partijen bij de rechtbank een beroepsprocedure liep tegen een eerder besluit op bezwaar van 16 augustus 2006 ter zake van de intrekking van de WAZ-uitkering van appellant per 5 juni 2006. Appellant stelt zich met name op het standpunt dat het besluit van 13 december 2007 beschouwd moet worden als een nader besluit ter wijziging van het besluit op bezwaar van 16 augustus 2006 als bedoeld in artikel 6:18 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Awb meegenomen had moeten worden in het hoger beroep tegen het besluit van 16 augustus 2006. Daarnaast heeft appellant gronden aangevoerd, die ook reeds in beroep waren ingebracht.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat de primaire grief van appellant geen doel treft. Immers, het besluit van 16 augustus 2006 ziet op het recht op uitkering van appellant per 5 juni 2006, welk recht werd beoordeeld met toepassing van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Sb) zoals dat luidde vanaf 1 oktober 2004. Het besluit van 13 december 2007 ziet op het recht op uitkering op 22 februari 2007, welk recht werd beoordeeld met toepassing van het Sb zoals dat luidde vóór 1 oktober 2004. Niet alleen gaat het over het recht op uitkering op andere data, maar ook het wettelijk kader is verschillend. Daarom kan naar het oordeel van de Raad niet worden volgehouden dat het besluit van 13 december 2007 valt binnen de reikwijdte en omvang van het besluit van 16 augustus 2006. Van een wijzigingsbesluit als bedoeld in artikel 6:18 van Pro de Awb is dan ook geen sprake.
4.2. Wat betreft de overige grieven van appellant verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel berust.
4.3. Gelet op hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen slaagt het hoger beroep niet.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) I.R.A. van Raaij
CVG